15 December 2025

De Knobbelspons, Mycale (Aegogropila) contarenii, nieuw voor Nederland

Fig. 1. Mycale contarenii oogt vrij massief met grote kegelvormige lobben met daarop kleine knobbels.

Het volgende artikel heb ik samen met Mikkel Suijker gepubliceerd in Het Zeepaard (2025/4), tijdschrift van de Strandwerkgemeenschap. 



Eind 2024 is voor het eerst in Nederland de spons Mycale (Aegogropila) contarenii (Lieberkühn, 1859) gevonden. Hoewel de verschijningsvorm afwijkt van andere in ons land voorkomende sponzensoorten, bleek uitgebreid microscopisch onderzoek naar de sponsnaaldjes (spicula) noodzakelijk om de soort met zekerheid op naam te brengen. Wij stellen als Nederlandse naam de Knobbelspons voor. 


Vondst

Tijdens een duik bij de duiklocatie Plompe Toren (Oosterschelde) in november 2024 was ik op zoek naar Roze slijmspons, Myxilla (Myxilla) rosacea, een soort die bekend is van deze locatie. Ik kwam rond 16 meter diep (bij laag water) een tiental sponzen tegen met een duidelijk andere verschijningsvorm dan die ik ken. 

De exemplaren waren tussen de 10 en 30 cm groot en oogden vrij massief. Ze vormden grote kegelvormige lobben (fig. 1) of langgerekte uitsteeksels (fig. 2), dan wel een combinatie daarvan (fig. 3). Hierop zaten kleine knobbels, waaraan we de Nederlandse naam ontlenen: Knobbelspons.

Na het fotograferen verzamelde ik een monster. Boven water bleek ook duikgenoot Mikkel Suijker de soort niet te kennen en hij nam een deel van het monster mee voor spicula-onderzoek. Spicula zijn microscopisch kleine, harde naaldjes van kalk of kiezel die een ondersteunende of beschermende functie hebben in sponzen. De afgelopen jaren is geregeld gebleken dat sponzen - afgezien van DNA-onderzoek - eigenlijk alleen met zekerheid op naam gebracht kunnen worden door naar de spicula te kijken. Zo bleken bijvoorbeeld de meeste sponzen die we jarenlang Gele of Ruwe aderspons of Grijze korstspons, Mycale (Carmia) micracanthoxea noemden, na bestudering van de spicula de Piekjesspons, Hymeniacidon perlevis te zijn. Piekjesspons bleek twee zeer verschillende verschijningsvormen te hebben (Bennema et al., 2020). Ook soorten als Gewone broodspons, Halichondria panicea (Turner et al., 2024; Otten, 2025) en Paarse buisjesspons, Haliclona (Soestella) xena (Otten, 2025) hebben zeer verschillende verschijningsvormen. Dat betekent niet dat de vorm geen rol speelt, want alleen daaraan kun je in het veld zien dat het misschien om een andere soort gaat.

Fig. 2. Mycale contarenii kan i.p.v. kegelvormige lobben ook langgerekte uitsteeksels hebben.

Onderzoek

Bij zijn onderzoek zag Mikkel een licht roze tot vuil bruin-witte, grof gerimpelde spons met een grove rafelige binnenstructuur. Wat hem ook meteen opviel, was dat het geen slijm afgaf, een belangrijk kenmerk van - niet voor niets – de Roze slijmspons. Bij het bekijken van de microscopisch kleine spicula kwam hij al snel tot een hele andere conclusie, namelijk dat het onmiskenbaar ging om een Mycale-soort. Aan de hand van mijn foto's, de spicula-monsters en het spons naslagwerk Sponge V (Ackers et al., 1992) kwam Mikkel tot de conclusie dat we een nieuwe Mycale-soort in onze wateren hebben: Mycale (Aegogropila) contarenii. 

Fig. 3.  Mycale contarenii met kegelvormige lobben, langgerekte uitsteeksels en kleine knobbels.

Spicula

Op de figuren 4, 5 en 6 zijn de kenmerkende spicula van M. contarenii te zien. Een ander belangrijk kenmerk van deze soort is juist het ontbreken van zogenaamde micracanthoxea: spicula van 5-8 μm! Die komen wel voor bij de al genoemde Mycale (Carmia) micracanthoxea (vandaar diens soortnaam).

Voor het onderzoek naar die micracanthoxea heb je een elektronenmicroscoop nodig. Toen Mikkel daarover de beschikking had, kon hij geen micracanthoxea vinden in het monster. Hoewel je zoiets kleins als deze spicula makkelijk over het hoofd kan zien, waren er wel fragmenten van diatomeeën zichtbaar op de beelden, objecten die zelfs kleiner zijn dan deze speciale spicula.

Fig. 4.  Spicula met subtylostylen (gedeelten van naaldvormige staven met aan één zijde een stompe knop en aan de andere kant puntig), sigma's (C-vormig met puntige einden) en anisochela (niet-symmetrische ankertjes, dus één zijde groter dan de andere).


Nieuwe soort voor Nederland

Om het monster nog eens te checken op de afwezigheid van de micracanthoxea en voor een bevestiging van de identificatie, hebben wij het monster en onze bevindingen gestuurd naar de professionals Nicole J. de Voogd (Senior researcher bij Naturalis Biodiversity Center en Bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Leiden) en Rob van Soest (gastonderzoeker bij Naturalis Biodiversity Center).

Mikkel’s determinatie werd door hen bevestigd. Er werden geen micracanthoxea gevonden. Zij haalden ook aan dat van M. micracanthoxea tot nu geen dikke groeivormen bekend zijn, zoals te zien zijn op de figuren 1, 2 en 3, terwijl dat wel geldt voor M. contarenii. 

 

Voor de specialisten lieten zij verder weten: “Twee dingen kloppen niet helemaal: het huidskelet is niet duidelijk Aegogropila-achtig (maar dat kan liggen aan de wijze waarop de section is gemaakt) en er zitten geen kleine sigma’s. Dit laatste is wel eerder geconstateerd, o.a. door Picton, dus het kan variabiliteit zijn. Verder kunnen we er wel zeker van zijn, dat het geen M. micracanthoxea is met die grote massa. Het kan ook geen Mycale macilenta zijn, want die heeft grotere sigma’s (tot 90 μm) en toxa’s (tot 200 μm) en het skelet is ‘plumose’, niet ‘plumoreticulate’ zoals jouw spons.” Zie de figuren 4 t/m 6 van de spicula voor verdere referentie.


Fig. 5. Anisochela- en sigma-spicula sterker vergroot.

Overigens heeft Mikkel geen zoete geur kunnen vaststellen, een kenmerk van M. contarenii genoemd in Sponge V. Bij de duik waren de omstandigheden er niet naar (koud, regenachtig en winderig).

In de literatuur kom je Mycale contareni (toen met één i) al eerder tegen als nieuwe soort voor Nederland, maar dat bleek achteraf Mycale (Carmia) micracanthoxea te zijn, een toen nog onbekende soort (Buizer & Van Soest, 1977).

Klik hier voor meer foto’s op mijn website. 

Biotoop en verspreidingsgebied

Deze spons leeft - volgens DORIS en Sponge V, (Ackers, 1992-2007) - op rotsachtige bodems en bedekt stenen, tweekleppige schelpen (o.a. de Bonte mantel, Mimachlamys varia), sessiele holtedieren en de stelen van zeewieren. Ze zijn aangetroffen van de onderste laag van het getijdengebied tot 37 m diepte. Het dier geeft de voorkeur aan beschutte plaatsen waar de stroming niet te sterk is. Duiklocatie Plompe Toren is wat dat laatste betreft niet typisch, want het is juist één van de duikplekken in de Oosterschelde met een behoorlijk harde stroming. 

Het verspreidingsgebied van M. contarenii loopt volgens het World Register of Marine Species (WoRMS) van de Britse eilanden tot aan de Golf van Guinee, de Middellandse Zee en de Zwarte Zee. 

De eerste vondst van de Knobbelspons bij de Plompe Toren is - voorzover ons bekend - ook de laatste geweest; wij hebben de soort daar bij latere duiken niet teruggevonden. We zijn benieuwd of wij of andere duikers de spons in de Oosterschelde (terug)vinden. 

Fig. 6. Toxa-spicula (omegavormige naaldjes met punten aan uiteinden).

Dank

Wij bedanken Nicole de Voogd en Rob van Soest voor het nadere onderzoek naar de spicula en de vaststelling van de soort. Jaap Nijsse van Consistence Microstructure Research Laboratory danken wij voor het beschikbaar stellen van een elektronenmicroscoop voor het nadere onderzoek en de prachtige foto’s die we hiermee hebben kunnen maken. Brendan Oonk en Floris Bennema bedanken wij voor hun prima commentaar op dit artikel. 

Literatuur & websites

  • Ackers, R.G., D. Moss & B.E. Picton, 1992. Sponges of the British Isles (‘Sponge V’). A Colour Guide and Working Document: 1-175. 1992 Edition reset with modifications, 2007. Marine Conservation Society, United Kingdom. Klik hier voor een PDF en voor de website.
  • Bennema, F., M. Suijker & M. Otten, 2020. De vormenrijkdom en opmars van de ‘bleke’ piekjesspons Hymeniacidon perlevis. Het Zeepaard 80(5): 210-216.
  • Buizer, D.A.G. & R.W.M. van Soest, 1977. Mycale micracanthoxea nov. spec. (Porifera, Poecilosclerida) from the Netherlands. Netherlands Journal of Sea Research 11 (3/4): 297-304.
  • DORIS (Données d'Observations pour la Reconnaissance et l'Identification de la faune et la flore Subaquatiques). Klik hier voor de website.
  • Otten, M., 2025. Mick’s Marine Life, Halichondria panicea - Breadcumb sponge - Broodspons. Klik hier voor de website. 
  • Otten, M., 2025. Mick’s Marine Life, Haliclona xena - Paarse buisjesspons. Klik hier voor de website. 
  • Turner, T.L., C. Morrow, B. Picton, C. Goodwin, W. Robert & R.W. Thacker, 2024. A common garden of Halichondria sponges: taxonomic revision of Northeast Pacific Halichondriidae reveals many cryptic introduced species. bioRxiv. Klik hier voor een PDF. 

12 December 2025

De Grijze trekkervis, Balistes capriscus, bijzondere dwaalgast of aquariumdier?

Fig. 1. De circa 47 cm lange Grijze trekkervis. Alle foto's bij Dreischor-Frans Kokrif, 30-9-2025.

Het volgende artikel heb ik gelijktijdig gepubliceerd in Het Zeepaard (2025/4), tijdschrift van de Strandwerkgemeenschap. 

Als je regelmatig op internet en Facebook rondstruint op zoek naar informatie en berichten over mariene biologie, dan kan het je niet ontgaan zijn dat er bij Dreischor een Grijze trekkervis, Balistes capriscus (fig. 1-6) rondzwom. Een bijzondere vis die niet autochtoon voorkomt. Omdat er meteen allerlei al of niet serieuze informatie werd gedeeld, leek het mij zinvol om wat feiten over het dier te verzamelen en die in Het Zeepaard te publiceren. Dan blijft het in tegenstelling tot Facebook en veel websites wel bewaard en terug te vinden.

Ontmoetingen

Het eerste bericht dat verscheen over de Grijze trekkervis was van Lia van Nieuwenhuizen, die op 13 augustus 2025 tot haar verbazing bij de duiklocatie Dreischor-Frans Kokrif in het Grevelingenmeer deze vis zag rondzwemmen. Enthousiast maakte zij daar melding van op Duikeninbeeld.tv (Duikeninbeeld, 2025). Daarop kwamen allerlei reacties en zijn naar ik vermoed honderden duikers het dier gaan bezoeken en fotograferen. 

 

Ik ben pas op 30 september naar het dier gaan kijken. De schuilplaats waar het dier zich ophield, werd op Facebook gedeeld en die was ook voor mij (ik verdwaal makkelijk onder water) eenvoudig te vinden. Maar er was geen Trekkervis te bekennen. Ik besloot een rondje te maken en op de terugweg weer langs te gaan. Toen zag ik hem meteen: een prachtige, grote en opvallende vis. Ik had inmiddels veel foto’s voorbij zien komen, waaruit bleek dat de vis allesbehalve schuw was. Maar voor de zekerheid ben ik hem steeds dichterbij komend gaan fotograferen. Dat bleek niet nodig: hij bleef vrijwel stationair voor zijn schuilplaats, een holte onder een ‘reefball’ (een grote holle betonnen bol met gaten, geplaatst als alternatief rif), hangen. Ik kon hem prima van de zijkant bestuderen en fotograferen (fig. 1). Hem vanuit andere posities fotograferen was in eerste instantie lastig, want hij draaide steeds mee. Het dier bleef ook steeds mijn richting uitkijken (fig. 2). Een paar keer ‘gaapte’ hij, waarbij hij zijn bek uitstulpte en zijn rugvinnen omhoog trok (fig. 3). Met wat lijkt op gapen persen vissen met veel kracht water langs hun kieuwplaten om zodoende allerlei vuildeeltjes te verwijderen, vergelijkbaar met ons hoesten. Hij zwom een paar keer op zijn kant zijn schuilplaats in en uit – alleen zo kon hij er in en uit komen – wapperde zand weg en nam in zijn bek een lege oesterklep mee naar buiten. Ik vermoed dat het dier de schuilplaats niet zelf heeft uitgegraven, maar dat hij gebruik heeft gemaakt van een voormalig hol van de Europese zeekreeft, Homarus gammarus. Toen ik mijn flitsers uitzette om foto’s met alleen daglicht te maken (fig. 3), was ik hem kwijt. Maar dat was maar even, want hij kwam opeens onder mij vandaan en positioneerde zich opnieuw voor zijn hol. Even later kwam hij voorzichtig naar mij toe gezwommen tot pal voor mijn camerahuis (fig. 4) en zwom hij weer rustig terug. Na nog wat foto’s vonden hij en ik het welletjes en zwom hij weer in zijn hol en ik weg. Ik heb een half uur met het dier doorgebracht; het voelde als vijf minuten.

 

 Fig. 2. De Grijze trekkervis bleef mij aankijken.


Ik vond het een bijzondere gebeurtenis, omdat veel vrijzwemmende vissen – althans in Zeeland – niet veel van duikers moeten hebben en zich dus amper laten observeren. Als je ze als duiker al ziet, want meestal merk je ze niet eens of niet tijdig op, omdat ons zeewater vrij troebel is en daardoor het zicht wordt beperkt. Daarbij heb je als duiker al ‘oogkleppen’ op in de vorm van een duikbril en kijk ik als duiker vooral schuin naar beneden en niet pal naar voren, omdat het ‘kleine spul’ op de bodem ligt of vlak daarboven hangt. Dan kijk je letterlijk en figuurlijk op bij zo’n bijzondere verschijning. Ik heb al eens zo’n ontmoeting gehad met een Zonnevis, Zeus faber (Otten, 2014 en 2017). Die zal ik ook nooit vergeten.


De onderstaande gegevens zijn grotendeels gebaseerd op de literatuur (Calle et al., 2020; Heesen et al.,2015; Louisy, 2015; Lythgoe & Lythgoe, 1976; Otten, 2017; Wheeler, 1975) en websites (Van den Bergh, 2025; Van Bragt, 2012; Deltapark Neeltje Jans, 2025; Devlin, 2009; DORIS, z.j.; Duikeninbeeld, 2025; Duikersgids, 2025a-c; Leys, 2022; Otten, 2014; Sport Fishing, 2015) die in de literatuur- en websitelijst zijn opgenomen. 


Uiterlijk

Zoals je op de foto’s kunt zien, heeft de Grijze trekkervis een zijdelings afgeplat, ovaal lichaam (fig. 5). De kleur is variabel: van grijsbruin tot olijfbruin, soms groenachtig en met een blauwe of violette weerschijn op de rug. Over het lichaam lopen soms onregelmatig gevormde, onduidelijke verticale banden. Die kun je op het exemplaar van Dreischor goed zien. De vinnen hebben soms blauwachtige lijnen. Op dit dier zijn die zeer prominent aanwezig en vormen een prachtig labyrintachtig patroon. In de periode dat de ouderdieren de eitjes bewaken, kleuren ze vaak wit. De vis is bezet met grote schubben in een mozaïekpatroon en voelt leerachtig aan. Hij heeft kleine ogen en een kleine bek met vlezige lippen en stevige, scherpe wat naar voren uitstekende tanden.  


De vis heeft twee rugvinnen. De eerste met drie door een vinvlies aan elkaar verbonden stekels, waarvan de eerste en stevigste in verticale stand geblokkeerd kan worden door de slankere tweede stekel. Pas wanneer de tweede stekel als een (geweer)trekker omlaag wordt geduwd, wordt de eerste stekel gedeblokkeerd. Aan dit mechanisme ontleent deze vissengroep zijn naam. Met die trekker kan het dier, in geval van gevaar, zich vastklemmen in een spleet tussen de rotsen op de zeebodem. De belager kan de Trekkervis dan erg moeilijk uit de spleet krijgen. Ik heb me afgevraagd hoe het dier zich met die trekker blokkeert zonder zijn buik te beschadigen, maar ook de eerste buikvin is vergroeid tot een stevige, ruw aanvoelende stekel. Er wordt nergens beschreven dat de trekker ook op een andere manier een verdedigingsmechanisme zou kunnen zijn. Maar als een predator een Trekkervis naar binnen slikt en de stekel staat uit, lijkt het mij knap lastig om het dier verder naar binnen te werken; net zoals Driedoornige stekelbaarzen, Gasterosteus aculeatus zich beschermen. De staartvin is groot en heeft bij volwassen dieren verlengde uiterste vinstralen. 


Fig. 3. De Grijze trekkervis tijdens het 'gapen'.

 

Mannetjes worden doorgaans groter dan vrouwtjes. Op basis van een filmpje op Facebook, waarbij een arm met kompas vlakbij het dier werd gehouden, kom ik met een voorzichtige berekening bij dit exemplaar op een lengte van 47 cm (dat werd bevestigd door Madelon van der Maas van Deltapark Neeltje Jans). De maximale lengte is 60 cm. Het gaat dus om een behoorlijk groot exemplaar. Ik vermoed dat het dier van Dreischor gezien de lengte en het ‘nestgedrag’ een mannetje is. Er is in Noord-Europa geen soort waarmee je hem zou kunnen verwarren. 

 

Leefwijze, voortplanting, voedsel en gedrag

Het zijn geen geweldige zwemmers: de dikke leerachtige huid maakt het lichaam wat stijf en belemmert het zwemmen. Zwemmen doen ze door golvende bewegingen te maken met hun rug- en anaalvin, maar mogelijk kunnen ze die ook hard heen en weer klappen voor meer snelheid, zoals ik een verwante soort zag doen op een filmpje op internet. Ook bewegen ze hun borstvinnen, maar dat lijkt meer te dienen voor stabilisatie dan vooruitkomen. Trekkervissen schijnen ook achteruit te kunnen zwemmen. 

 

De Grijze trekkervis komt van nature voor op rotsachtige bodems in vrij ondiepe kustwateren van 5 tot 30 meter; in de winter daalt de vis af naar dieptes tot 150 meter. Ze worden vaak aangetroffen bij artificiële bouwsels als piertjes, pontons, steigers, wrakken etc. Zoals ik al schreef lag de schuilplaats van het exemplaar bij Dreischor op 7 meter diepte, direct onder een reefball en dicht bij de steiger. Ze schijnen vrij plaatsgebonden te leven, (ver)dwalen is uitzonderlijk. 

 

De soort leeft alleen, in paren of in groepen. Als ze in groepen verzamelen, heeft dat waarschijnlijk met de voortplanting te maken. De vissen zijn na ongeveer twee jaar geslachtsrijp bij een lengte van 15-30 cm. Voorafgaand aan een uitgebreide balts graven mannetjes een nest uit. Van laat in het voorjaar tot begin augustus worden daarin tussen de 50.000 tot 90.000 eitjes afgezet. Opmerkelijk: in de Golf van Mexico, het gebied waar ze oorspronkelijk vandaan komen, legt het vrouwtje maar liefst 770.000 eitjes. Het vrouwtje bewaakt het nest, het mannetje het territorium. De eitjes komen al na 2 tot 3(!) dagen uit. De planktonische larven zijn 3 tot 6 mm na het uitkomen en leven de eerste 4 tot 7 maanden pelagisch. Daarna zoeken ze rotsachtige bodems op. In de Middellandse Zee planten ze zich voort in de zomer bij een temperatuur rond de 21°. Voorzover bekend doen ze dat (nog) niet in Noordwest-Europa.

 

Fig. 4: De Grijze trekkervis met alleen daglicht.


Meerdere duikers hebben gezien dat de vis bij Dreischor zijn schuilplaats schoonhield door er zand uit te wapperen. Ik heb hem ook een oesterklep naar buiten zien brengen. Het kan heel goed zijn dat hij de plek inrichtte als nest, maar Trekkervissen houden zich ook op in schuilplaatsen als ze rusten. Het leidt meteen tot de vraag: gaat een Trekkervis een nest bouwen als er geen vrouwtje te zien is? Als maximumleeftijd wordt 12 tot 13 jaar gemeld en een gewicht tot 6 kg.

 

Het voedsel – dat voornamelijk overdag wordt gezocht – bestaat uit krabben en kreeften (Decapoda), tweekleppige schelpen, wormen, stekelhuidigen en vastzittende dieren als zeepokken, hydropoliepen en mosdiertjes. Het is dus bepaald geen kritische eter. Met zijn sterke tanden is hij goed in staat om schelpen open te breken en het pantser van krabben en kreeften te kraken. Gemeld wordt dat de vis bij scheldierkwekerijen soms als een plaag wordt gezien. Zijn zeer taaie huid zou het dier beschermen tegen de stekels van zee-egels. In ieder geval was er bij Dreischor voldoende voedsel voor dit dier te vinden. 

 

De Grijze trekkervis wordt qua gedrag omschreven als niet al te bang en tamelijk nieuwsgierig; het exemplaar van Dreischor voldoet daar helemaal aan. Er wordt ook gewaarschuwd, want mannetje en vrouwtje kunnen bijten als bewakers van het nest.  

 

Verspreiding

Hoe uniek is de Grijze trekkervis in Nederland? Het is niet voor het eerst dat de Grijze trekkervis in Nederlandse wateren aanspoelt, wordt gezien of wordt gevangen. Het is bij ons een zeldzame dwaalgast. Het eerste exemplaar dat bij ons werd gevonden, was in 1930 in de Zuiderzee bij Amsterdam. Dat dier heeft nog jaren in het aquarium van Artis geleefd. Pas in 1968 werd weer een Grijze trekkervis gevonden. Sinds de jaren 70 komen ze vaker voor in Noord-Europese wateren: van 1970 tot 1987 werden circa 20 exemplaren voor onze kust gevangen, voornamelijk in de zomer en het najaar. In de zomers van 2004 tot 2007 werden jaarlijks kleine aantallen in de Oosterschelde, de Noordzee en de Waddenzee waargenomen. Daarbij gaat het soms om aangespoelde dieren. 


Op Waarneming.nl wordt door een duiker een vondst gemeld uit het Grevelingenmeer bij duiklocatie ’t Koepeltje op 29 september 2008. De vondst van Lia op 13 augustus 2025 was dus niet de primeur voor het Grevelingenmeer. Midden augustus 2009 doet Ecomare melding dat ze een exemplaar hebben gehuisvest dat in de Waddenzee is opgevist. In een NatureToday-bericht van 2 september 2012 wordt melding gedaan van vier exemplaren in augustus in de centrale Oosterschelde. Op 23 augustus 2022 wordt weer een exemplaar opgevist in de Oosterschelde en op 6 januari 2024 wordt een aangespoelde schedel gevonden bij Heemskerk. Beide laatste meldingen zijn ook van Waarneming.nl. Het ging steeds om enkele exemplaren en de levende dieren werden vooral in augustus en september gevonden. Dezelfde periode als het dier van Dreischor. Ik hoop dat het overzicht hiermee compleet is. Andere waarnemingen zijn welkom!

 

De oorsprong van deze warmwatersoort zou liggen bij de oostkust van Noord-Amerika. Het dier heeft zich inmiddels in de Atlantische Oceaan verspreid van Argentinië tot Canada en van Angola tot in Noorwegen, inclusief de Middellandse Zee. In koudere wateren kan het dier zich niet voortplanten en bij een temperatuur lager dan 12° sterft het. De kans op overleven van de vis bij Dreischor was dus nul. 

 

Fig. 5: De Grijze trekkervis komt nieuwsgierig in de lens kijken.


Het dier wordt gevoerd door duikers

Al snel na de vondst kwamen er berichten dat het dier werd gevoerd door duikers die oesters voor hem opensneden. De vele lege oesters waren de getuigen. Op zich geen goede zaak; het dier had voldoende voedsel om zichzelf te voeden en je moet dieren geen onnatuurlijk gedrag aanleren. Daarbij zijn er voorbeelden bekend van zeedieren zoals Congeralen, Tandbaarzen en Murenen, die gevoerd worden door duikers en vervolgens agressief en gezien hun formaat gevaarlijk - gedrag vertonen omdat ze opeens niets krijgen. Er wordt aangevoerd dat de vis van Dreischor vanwege het voeren niet tijdig terug naar het zuiden is gezwommen. Die relatie zie ik niet: als het dier niet meer gevoerd zou worden, had hij nog steeds voedsel in overvloed. Hoewel de Grijze trekkervis een zomermigrant is naar Noord-Europese wateren, weet ik niet of ze ook daadwerkelijk terugzwemmen als de temperatuur laag wordt. Ik acht de kans groot dat de exemplaren die in onze kustwateren terecht zijn gekomen, het niet overleefd hebben. 

 

Dwaalgast of aquariumdier?

In een reactie op het eerste Facebookbericht over de Trekkervis werd de opmerking gemaakt ”Waarschijnlijk uitgezet door een aquariumhouder? Hoort hier niet thuis.” Dat laatste is relatief; het dier is en blijft een zeldzame dwaalgast. Dat het om een aquariumdier zou gaan, werd verder niet gemotiveerd. Als ‘tegenreactie’ werd geplaatst dat beroepsvissers al jaren af en toe een Trekkervis in hun netten in het Grevelingenmeer vinden, die ze terugzetten omdat ze verder geen marktwaarde hebben. Ik zag gezien de vondsten van de afgelopen decennia geen aanleiding om dit exemplaar als aquariumdier te bestempelen. 

 

Ook argumenten als de beperkte toegang tot het Grevelingenmeer en het feit dat hij dichtbij de steiger van Dreischor was gevonden, overtuigden mij niet. Er komen wel meer nieuwe soorten vanuit de Noordzee in het Grevelingenmeer terecht. En zoals ik al schreef wordt in de literatuur gemeld dat de soort vaak wordt aangetroffen bij artificiële bouwsels. Daarbij vroeg ik me af hoe je zo’n groot dier in een vat met water de dijk op kan sjouwen, maar later bedacht ik mij dat er genoeg plaatsen zijn aan het Grevelingenmeer waar je geen dijk op hoeft; de vis kan vervolgens naar Dreischor zijn gezwommen. 

 

Tijdens het verzamelen van informatie over de Grijze trekkervis passeerde op 21 oktober een bericht op Facebook dat het dier door duikers zou zijn opgepikt en was ondergebracht bij Deltapark Neeltje Jans. Op 3 november 2025 sprak ik Madelon van der Maas, hoofd dierverzorging van Deltapark Neeltje Jans, over de Grijze trekkervis. Zij vertelde mij dat duikers haar er op hadden gewezen dat het slecht ging met de vis en dat zij hadden gevraagd of het dier niet in het aquarium van het park opgevangen zou kunnen worden. Madelon sprak met hen af dat zij nog eens zouden kijken. De duikers lieten haar weten dat ze nog dezelfde dag de vis op zou moeten pikken, omdat het dier compleet lethargisch was; de duikers konden hem makkelijk met een schepnet vangen. Bij aankomst bij het park bleek het dier in slechtere conditie dan werd gedacht en werd het sneller dan men normaal zou doen (in verband met acclimatisatie) in warmer water uitgezet. Inmiddels maakt de vis het prima in het aquarium. 


 Fig. 6: Recht van voren is goed te zien dat de Grijze trekkervis zijdelings is afgeplat.


Madelon is er vrij zeker van dat het om een uitgezet aquariumdier gaat. Dat leidt zij af uit het atypische gedrag. Zo kwam de vis zelf naar duikers gezwommen. Ik vond het dier tijdens mijn duik bij Dreischor ook wel een behoorlijk ‘ontspannen’ indruk maken. Aan de andere kant zijn er meer vissen die zich weinig aantrekken van duikers. Het voeren kan er ook toe hebben bijgedragen dat het dier andersoortig gedrag vertoonde. Bij mijn beperkte ervaring met koudwater aquariumvissen heb ik vaak gezien dat vissen al bij het uitzetten van de luchtpomp alert werden en zenuwachtig gedrag vertoonden. Ik heb dat bij de Trekkervis niet kunnen waarnemen en het naar mijn camerahuis zwemmen zie ik meer als nieuwsgierigheid. Op ReefSecrets (Leys, 2022) wordt uitgebreid over het gedrag van Trekkervissen geschreven en kun je ook lezen waarom een aquariumhouder van het dier af zou willen.  

 

Ik ben geneigd Madelon gelijk te geven. We zullen het nooit met zekerheid weten, tenzij iemand zich als voormalige eigenaar van de vis meldt. En al was het een aquariumvis, ik blijf het een bijzondere ervaring vinden! Wil je hem ook zien, dan kun je natuurlijk bij het Deltapark gaan kijken. Ten slotte: zet geen dieren uit een aquarium in zee.


Naschrift: Ik heb van Madelon vernomen dat ze de vis op 3 december 2025 helaas dood op de bodem van het aquarium vonden. Mogelijk was zijn conditie door het koude water op zijn voormalige stek toch minder dan verwacht.


Ik dank Frank Perk voor het redigeer- en opmaakwerk en Madelon van der Maas voor de informatie die zij verstrekte over de Trekkervis van Dreischor.

 

Summary

From August 13, 2025, onward a Grey triggerfish, Balistes capriscus was observed by divers in Lake Grevelingen. The species is a rare vagrant. The animal, probably a male, had made a ‘nest’ under a ‘reefball’ (a large hollow concrete sphere with holes, placed as an alternative reef). Hundreds of divers came to see and enjoy the animal in the following months, even feeding it with oysters. On November 3, 2025, the animal was observed behaving lethargic; beneath a temperature of 12° it would die. It was caught and brought to the aquarium of Deltapark Neeltje Jans, where it is doing well. And maybe that is the place where it belongs, because there are indications that it was an animal that came from an aquarium.


 

Literatuur & websites

  • Bergh, D. Van den, 2025. Duiken in Nederland, Grevelingen, Dreischor Frans Kok Rif. Op zoek naar de zeldzame trekkervis (Balistes capriscus). YouTube-filmpje, klik hier. 
  • Bragt, P.H. van, 2012. Er zitten weer Grijze trekkervissen in de Oosterschelde. NatureToday-bericht, klik hier.
  • Calle P., L. Calle, J. Kranenbarg, J.A. van der Velden, A.J.M. Meijer, I. de Boois, M. Dubbeldam & C. Jacobusse, 2020. Vissen in Zeeland. Fauna Zeelandica IX. Stichting Het Zeeuwse Landschap, Wilhelminadorp, 301 p. Klik hier om als PDF op te halen. 
  • Deltapark Neeltje Jans, 2025. Trekkie blijft dichtbij: opvang na verzwakking in de Grevelingen. Facebookbericht, klik hier.
  • Devlin, T., 2009. Trekkervis uit de Waddenzee bij Ecomare. ReefSecrets, klik hier.  
  • DORIS, z.j. Baliste commun. DORIS (Données d'Observations pour la Reconnaissance et l'Identification de la faune et la flore Subaquatiques). Website, klik hier.
  • Duikeninbeeld, 2025. Bijzondere waarneming in het Grevelingenmeer | Grijze trekkervis. Klik hier voor bericht. 
  • Duikersgids, 2025a. Deze grijze trekkervis is vandaag gezien in Dreischor Frans Kokrif. Klik hier voor bericht. 
  • Duikersgids, 2025b. Alles wat je moet weten over de grijze trekkervis in de Grevelingen. Een kennismaking! Klik hier voor bericht. 
  • Duikersgids, 2025c. Zeeuwse vissers zien trekkervis soms in hun netten. ‘Er zwemmen er meerdere in de Grevelingen’. Bericht op website, klik hier. 
  • Heesen, H.J.L, N. Daan & J.R. Ellis, 2015. Fish atlas of the Celtic Sea, North Sea and Baltic Sea. KNNV Uitgeverij, Zeist, 572 p.
  • Leys, G., 2022. Rif-veilige trekkervissen. ReefSecrets, klik hier.  
  • Louisy, P., 2015 (3e gewijzigde editie). Europe and Mediterranean Marine Fish identification guide. Les Editions Eugen Ulmer, 512 p. 
  • Lythgoe, J. & G. Lythgoe, 1976. Vissen van de Europese kustwateren en de Middellandse Zee. Moussault, Baarn, 335 p.
  • Otten. M.J., 2017. DUIKEN: de ultieme manier om zeefauna en -flora te observeren. Het Zeepaard 77(2): 16-28.
  • Otten, M., 2014. John dory: curious and cosmopolitan fish. Mick's Marine Biology, klik hier.
  • Sport Fishing, 2015. Triggerfish Swimming Underwater. YouTube-filmpje, klik hier.
  • Wheeler, A., 1975. Fishes of the World. Ferndale Editions, London. 366 p.

7 May 2024

De Gebochelde spinkrab, Pisa armata bereikt Nederland op plastic

Fig. 1. Gebochelde spinkrab, Pisa armata

Plastic is een ramp voor alles dat in zee leeft. Maar soms zorgt het ook voor een bijzondere vondst. In december 2023 werd in een aangespoelde plastic krat een Gebochelde spinkrab, Pisa armata gevonden, een soort die nog niet bekend was van onze kust.


Op 24 december 2023 vond Pieter Kruse samen met zijn vader Lucas tijdens een stormachtige wandeling op het strand van Zandvoort, lopend richting Bloemendaal, een aangespoelde plastic krat met daarin en daarop een aantal dieren (fig. 6). Het meest bijzondere dier was een levend spinkrabbetje. Het bleek te gaan om de Gebochelde spinkrab, Pisa armata. (fig. 1, 2, 5-7, 9), Het bleek de eerste vondst van deze soort van onze kust te zijn. 

Herkenning
Het krabbetje heeft een driehoekig tot ruitvormig rugschild, dat aan de voorzijde spits toeloopt in twee lange stekels, het rostrum. Ook aan de zij- en achterkant van het rugschild zitten stekels. Nagenoeg het hele dier is bezet met korte schubvormige haren. Aan de zijkant van het rugschild en op de looppoten zitten ook dikke lange haren. Daarnaast zie je op het rugschild verspreide groepjes met lange haakvormige haren, waaraan het dier allerlei camouflagemateriaal hangt. Zeer kenmerkend zijn de knobbels en richels op het rugschild. Het gevonden exemplaar is een mannetje. De kleur is lichtbruin tot roodbruin. Het rugschild van het gevonden exemplaar was 29 mm lang; de maximale afmeting van deze soort is 61 mm. In het boek de ‘De Krabben van Nederland en België’ van Hans Adema (1990) en in de Verspreidingsatlas wordt de soort verder beschreven.

Fig. 2. Pisa armata, Gebochelde spinkrab, 
mannetje, lengte rugschild 29 mm, Zandvoort, Nederland, 2023-12.
 


Gelijkende soorten
De camouflage (zie verder bij Gedrag) op spinkrabben kan zo dicht zijn, dat je ze vaak pas op naam kunt brengen door eerst wat van die camouflage weg te halen. Als je een levend dier vindt en je wilt het niet verzamelen, maak dan ook foto’s van de onderkant: daar zijn ze niet gecamoufleerd en kun je bepaalde kenmerken zien.

Soorten van onze kust waarmee je de Gebochelde spinkrab kunt verwarren - zeker als ze behoorlijk gecamoufleerd zijn - zijn de Rode spinkrab, Hyas coarctatus en jonge exemplaren van de Gewone spinkrab, Hyas araneus en de Atlantische grote spinkrab, Maja brachydactyla. De lengte en de vorm van het rostrum van de Gebochelde spinkrab, het rugschild met de duidelijke knobbels en richels en de stekels aan de achterkant zijn onderscheidend. Ook in gedrag is er een duidelijk onderscheid: de Gebochelde spinkrab is i.t.t. de hiervoor genoemde soorten een traag dier. De kans dat je die soorten in Nederland vindt, is overigens ook niet erg groot: beide Hyas-soorten lijken steeds zeldzamer te worden. De Atlantische grote spinkrab is nog niet algemeen (Heerebout et al, 2023), maar wel een soort in opkomst. 

Twee andere Pisa-soorten
In het Kanaal – als dichtstbijzijnde locatie – komen nog twee Pisa-soorten voor: Pisa tetraodon en Pisa nodipes. Hoewel deze soorten nog nooit in Nederlandse en Belgische wateren zijn gevonden, volgt hierna een vergelijking van deze soorten met P. armata. 

Fig. 3. Pisa tetraodon, Kromstekelige spinkrab, 
mannetje, lengte rugschild 52 mm, Siouville, Frankrijk, 1988-05. 


Pisa tetraodon
, de Kromstekelige spinkrab* (fig. 3) onderscheidt zich van de andere twee soorten door het druppelvormige rugschild met aan de zijden meerdere naar voren gekromde stekels. Er zitten op het rugschild geen grote en dikke knobbels, zoals bij de andere twee soorten. Van die andere twee soorten is het rugschild driehoekig tot ruitvormig en er zitten geen naar voren gekromde stekels aan de zijden. 


 





Fig. 4. Pisa nodipes, Geknobbelde spinkrab, 
mannetje, lengte rugschild 48 mm, Siouville, Frankrijk, 1988-05. 



Pisa nodipes
, de Geknobbelde spinkrab* (fig. 4) lijkt sterk op P. armata en zal daar vaak mee verward zijn en worden (zie Nooit te oud om te leren). De knobbels op het rugschild van P. nodipes zijn duidelijker afgetekend dan die op de rug van P. armata en niet deels verbonden door richels. Een ander opvallend verschil bij mannetjes is de vorm van het sternum, het segment tussen het staartstuk en de kaakpoten. Bij P. armata is dat nagenoeg vlak, bij P. nodipes is dat diep ingedeukt (fig. 5). In De Strandvlo heeft Cédric d’Udekem d’Acoz (1989) deze en andere verschillen uitgebreid beschreven. 

*Voorgestelde Nederlandse namen.



Fig. 5. Links onderzijde Pisa armata met vlak sternum, rechts Pisa nodipes met ingedeukt sternum 
(onderzijde van P. nodipes fig. 4), beide mannetjes.














||  Nooit te oud om te leren   Van Noord-West Europa ken ik twee Pisa-soorten. Pisa tetraodon vond ik vanaf 1978 in Bretagne en vooral in Normandië, Frankrijk. Pisa armata vond ik in 1988 in Normandië, althans dat heb ik altijd gedacht. Toen ik naar aanleiding van de vondst van Pieter onderzoek deed naar P. armata, kwam ik het al genoemde artikel van Cédric tegen. Zouden de Pisa van Pieter en de Pisa’s die ik in het verleden heb verzameld voor mijn aquarium en na hun overlijden heb geconserveerd, niet P. nodipes zijn? Ik heb ze gefotografeerd en de foto’s aan Cédric voorgelegd. Conclusie: ik heb 35 jaar verkeerd gedacht; mijn P. armata’s bleken allemaal P. nodipes. Toevallig is die van Pieter wel een ‘echte’ P. armata! ||

Vondsten
Dit is de eerste vondst van de Gebochelde spinkrab in Nederlandse wateren. In de Belgische Noordzee is de soort zeer zeldzaam. De krab is daar vijf keer opgevist: de eerste in 1850, de laatste in 2019. In het Kanaal wordt de soort vaker aangetroffen. Mondiaal is de soort bekend van de oostelijke Atlantische Oceaan van Schotland tot Kameroen en de Middellandse Zee (WoRMS, 2024-04-25). 

Fig. 6. Pieter Kruse bij het krat met inhoud.








Herkomst
Op het krat (fig. 6) vond Pieter nog de volgende soorten: Perforatus perforatus, Vulkaantje (9 ex.), Lepas anatifera, Grote eendenmossel (4), Aequipecten opercularis, Wijde mantel (5) en cf. Ascidiella scabra, Scheve zakpijp (1). Gezien de soorten die op en in het krat zijn gevonden, kwam het waarschijnlijk van de Normandische kust of nog zuidelijker. Tip: als je een krat of ander voorwerp vindt met (bijzondere) verstekelingen, kijk of er ergens tekst op is te vinden en fotografeer die ook. Daardoor kun je soms de oorsprong achterhalen en dat maakt je vondst nog waardevoller. 

Biologie
In de literatuur en op internet worden nogal verschillende biotopen genoemd: stevige rots- en koraalachtige bodems en zachte(re) bodems in wisselende samenstelling van schelpen, modder en zand. Ook over de diepte lopen de gegevens uiteen. Sommige auteurs noemen ze van het getijdengebied, maar anderen pas vanaf 18 of 50 meter tot dieper met 206 meter als diepste punt. Cédric liet weten dat P. armata iets dieper leeft dan P. nodipes (pers. meded.).

Fig. 7. Pisa armata van voren gezien.

Gedrag
Pisa-soorten zijn net als andere soorten spinkrabben vaak sterk gecamoufleerd. De krabbetjes zetten (stukjes van) allerlei soorten zeedieren op hun rugschild en looppoten, zoals sponzen, holtedieren en zakpijpen. Aan de lange haakvormige haren bevestigen ze zeewieren, hydropoliepen en struikvormige mosdiertjes. Die zeewieren en dieren groeien vaak verder uit en kunnen het hele rugschild bedekken. Vaak zie je de krabbetjes pas als ze bewegen: dan zie je opeens een spons of zeewier lopen! De keuze voor specifieke soorten hangt samen met de dieren en wieren uit hun directe leefomgeving. Alle Pisa-soorten zijn trage en daarmee kwetsbare krabben: goede camouflage biedt dus bescherming. Ze besteden dan ook veel tijd aan hun ‘kapsel’.

Het gevonden krabbetje had kleine stukjes Dodemansduim, Alcyonium digitatum (fig. 8) op zijn rugschild en looppoten gezet. Ook zaten er nog wat onherkenbare restanten op van hydropoliepen. Als camouflage stelde het niet veel voor. 

Fig. 8. Alcyonium digitatum, Dodemansduim.














||  Bezem en voorraadkast   Ze passen de camouflage aan, als die niet meer passend is. Bij een Kromstekelige spinkrab die ik een paar dagen had ondergebracht in een emmer met water waarin stukjes stro waren gewaaid, had het dier de zeewieren op zijn rugschild verwijderd en er stukjes stro voor in de plaats gezet. Hij leek op een levende bezem! 

De camouflage kan ook als voorraadkast dienen: in mijn aquarium heb ik Kromstekelige en Geknobbelde spinkrabben regelmatig stukjes zeewier (o.a. Caulerpa prolifera, Ulva spec., Zeesla, Mastocarpus stellatus, Kernwier en Sargassum muticum, Japans bessenwier), krabstick, krabresten, mossel en vis op hun rostrum en rugschild zien zetten, die later alsnog werden opgegeten. Erg geslaagd was de camouflage dan vaak niet. ||


Ze zijn omnivoor: als voedsel worden zeewieren, hydropoliepen en wormen genoemd. In mijn aquaria kreeg ik Kromstekelige en Geknobbelde spinkrabben - naast de soorten hiervoor genoemd bij 'Bezem en voorraadkast' - ook warm voor oester, vis, garnaal en tubifex. Mijn ervaring is wel dat ze snel uitgekeken zijn op het aangeboden voedsel. Als het niet beviel, werd het agressief weggegooid. 

Het laatste deel van de looppoten is sterk gekromd; daarmee houden ze zich stevig vast aan rotsen of zeewieren. Als je ze op wilt pakken om ze beter te bekijken of te fotograferen, haal ze dan voorzichtig – pootje voor pootje – los van de ondergrond. Het zijn grappige krabbetjes om te observeren. De Gebochelde spinkrab lijkt vanaf de zijkant, zonder al teveel camouflage, op een spitsmuis (fig. 9). Agressief gedrag, zoals veel andere krabbensoorten die meteen hun schaarpoten naar je uitstrekken, vertonen ze niet. 

Fig. 9. Vanaf de zijkant lijkt Pisa armata op een spitsmuis.














||  Op de tast vinden
   Kromstekelige spinkrabben verschuilen zich in Noord-West Europa graag in grotere, stevige bruinwieren als Japans bessenwier, Sargassum muticum, Vezelwier, Gongolaria baccata en Ericaria selaginoides. Ik vond ze bij het bekijken van allerlei aangroeisel op die zeewieren in diepe getijdenpoelen in Normandië. Omdat de wieren onder water zitten, moest je om ze te vinden een duikbril opzetten of je hand voorzichtig door het zeewier halen. Vaak voelde je dan ‘verdikkingen’ die bestonden uit zakpijpen en sponzen die op het wier groeiden. Als zo'n verdikking in je hand bewoog, wist je meteen dat je een Pisa had gevonden. ||  

Autochtoon?
Tot deze vondst was geen van de drie Pisa-soorten - autochtoon of aangespoeld - bekend van onze kust. Kunnen we ze in de toekomst ook autochtoon aan onze kust en in de Oosterschelde verwachten? Uitsluiten kunnen we het niet, maar Pisa’s zijn bepaald geen marathonlopers. Op basis van deze enkele aangespoelde vondst en hun toch wat verborgen levenswijze, denk ik niet dat ze snel aan onze kust gevonden zullen worden. Maar denkend aan de Wolkrab, Dromia personata die ook opeens opdook in Nederland: ik laat me graag verrassen.

Fotografie
Foto’s: Mick Otten. De foto’s van Pieter Kruse op het strand en van het krat zijn van Lucas Kruse. De foto’s van P. nodipes en P. tetraodon zijn gemaakt van exemplaren die ik destijds verzamelde voor mijn aquarium. Na overlijden heb ik ze geconserveerd in alcohol. Voor de foto’s heb ik de dieren kort gespoeld in zoet water, daarna even laten drogen en gefotografeerd. De foto’s van P. armata zijn gemaakt met het dier in water. Alle (gestapelde) foto’s zijn gemaakt met daglicht.

Dank
Ik dank Pieter Kruse voor het melden van zijn vondst, het uitlenen van het krabbetje en zijn geduld met het wachten op dit bericht. Cédric d’Udekem d’Acoz (Royal Belgian Institute of Natural Sciences) dank ik voor de hulp bij het op naam brengen en de verdere informatie die hij verstrekte, Marco Faasse voor de determinatie van Alcyonium digitatum en informatie over WoRMS en Wilfried Bay-Nouailhat voor die van Ascidielle scabra. Rykel de Bruyne dank ik voor zijn commentaar op de tekst en zijn creatieve voorstel voor de naam Kromstekelige spinkrab. Francis Kerckhof (KIBIN-OD Natuur, Mareco), Rien de Ruiter (Strandwerkgemeenschap), Adriaan Gmelig Meyling (Stg. ANEMOON) en Arjan Gittenberger (Gimaris) dank ik voor het nagaan van Pisa-soorten in Nederlandse en Belgische wateren. 

Literatuur

  • Adema, J.P.H.M., 1990. De krabben van Nederland en België. ISBN 9073239028.
  • Falciai, L. & R. Minervini, 1992. Guide des homards, crabes, langoustes, crevettes et autres crustacés décapodes d'Europe ('Guida dei Crostacei Decapodi d'Europa'). ISBN 260300994X.
  • Ingle, R.W., 1996. Shallow water crabs. Synopses of the British Fauna 25. ISBN 101851532587.
  • Muñoz I., García-Raso J.E., Gónzalez J.A., Lopes E.P., dos Santos A.M., Cuesta J.A., 2023. Taxonomic revision and molecular phylogeny of Pisa (Decapoda: Majoidea: Epialtidae), including the description of a new genus of Pisinae. Sci. Mar. 87(4): e076. Klik hier voor PDF.   
  • Udekem d'Acoz, C. ‘d, 1989. Présence de Pisa nodipes (Leach, 1815) sur les côtes françaises de la Manche (Crustacea, Decapoda, Brachyura: Majidae). De Strandvlo, 9(4): 103-112. Klik hier voor PDF. 
  • Zariquiey Álvarez, R., 1968. Crustáceos Decápodos ibéricos. Klik hier voor PDF.

Websites

  • Heerebout, G., R. de Bruyne, L. Schoonderwoerd en M. Haarsma, 2023. Indrukwekkende Grote spinkrab nu ook in de Oosterschelde. NatureToday-bericht. Klik hier.
  • Otten, M., 2017. At last and unexpected: the Sponge crab, Dromia personata, in the Netherlands. MicksMarineBiology. Klik hier.
  • Verspreidingsatlas. Klik hier.
  • WoRMS. Klik hier. 

29 August 2022

Op zoek naar de Raketmeduse, Cladonema radiatum in Nederland

fig. 1. Zijaanzicht Raketmeduse, Cladonema radiatum.


Dit blogbericht had ik als titel willen geven: ‘De Raketmeduse, Cladonema radiatum Dujardin, 1843 nieuw voor Nederland.’ Hoewel niet is uit te sluiten dat er in Nederlands kustwater Raketmeduses zijn voor(t)gekomen, is dat niet met 100% zekerheid vast te stellen. 

Met dit blogbericht als artikel in Het Zeepaard (82-3) en een artikel van Robert Brons over deze soort in hetzelfde nummer, is het een oproep om naar deze bijzondere hydromeduses uit te kijken. Vooruitlopend op een vondst in Nederland ben ik meteen zo vrij geweest om een Nederlandse naam te geven: de Raketmeduse. 


Vondsten en soort

Begin november 2020 zag ik in één van mijn aquaria een tiental roodbruine ‘strengetjes’ van een paar millimeter die schokvormige bewegingen maakten. Toen ik er een vergrootglas bij haalde - de diertjes waren tussen de 0,5 en 2,5 mm hoog (althans het klokje) - bleken het heel fraaie hydromeduses te zijn (fig. 1 en 2). 

 

Toen ik ze op naam wilde brengen en daarvoor ‘Overzicht van de Nederlandse Leptolida’ van Vervoort & Faasse (2009) uit de boekenkast trok, bleken daarin meer dan 50 soorten hydropoliepen beschreven die in hun leven een medusestadium kennen. Dat leek me dus zoeken naar een naald in een hooiberg, maar dat bleek mee te vallen. Cladonema radiatum heeft opmerkelijke knotsjes aan zijn vertakte tentakels zitten, in het boek omschreven als bolvormige netelconcentraties. Toen ik vervolgens de beschrijving las en ging googlen naar foto’s, leek mij de soort onmiskenbaar. Marco Faasse bevestigde de determinatie per email. 

 

fig. 2. Bovenaanzicht.


In het boek wordt gemeld dat de soort nog niet in Nederland is gevonden, maar "in ons kustplankton is te verwachten". De wens wordt al snel de vader van de gedachte en ik dacht de eerste exemplaren uit Nederlands kustwater te hebben gevonden. Ik vond ze namelijk direct nadat ik vers zeewater voor mijn aquarium had gehaald bij Neeltje Jans. Maar hoe meer ik er over las, hoe groter de twijfel. Eén van de belangrijkste tegenargumenten was dat de hydromeduses doodgaan bij een temperatuur lager dan 14 ºC; het zeewater bij Neeltje Jans was toen 12 ºC. Daarbij vond ik zo’n 10 exemplaren in dat aquarium van nog geen 7 liter en dat was wel erg veel voor het toeval. Een ander tegenargument is dat dit dier op heel veel plaatsen in de wereld opduikt… in aquaria! Dan is niet altijd duidelijk waar de diertjes vandaan komen. Vaak blijken ze meegelift met geïmporteerd koraal en ‘levend steen’ en komen ze in de omringende zee van dat land niet voor. 

 

Ook Marco Faasse liet weten ze lang geleden in zijn aquarium te hebben gehad. De herkomst was niet duidelijk, maar hij vermoedde dat ze waren meegekomen met wat materiaal uit de Middellandse Zee. Juist in mijn meduse-aquarium had ik zeewieren als het groenwier Caulerpa racemosa en wat zeeanemoontjes op Groot zeegras, Zostera marina van de Franse Middellandse Zeekust ondergebracht, die ik juni dat jaar had verzameld. Dat was teveel toeval.

 

Van Thom van Riet kreeg ik juni 2021 een foto gemaild met het bericht dat hij een twaalftal vreemde kwalletjes in de filterbak van zijn aquarium zag. Ik herkende ze meteen: dezelfde prachtige hydromeduses van Cladonema radiatum.Zouden dat dan toch de eerste exemplaren zijn uit Nederlands water? Al het zeeleven en zeewater dat hij voor zijn aquarium verzameld, komt uit Zeeuwse wateren. Nou ja, bijna al het zeeleven: ik heb hem in maart 2021 wat Kussensterretjes, Asterina gibbosa gegeven… Kon dat dan toch de bron van ‘besmetting’ zijn? Er zat wat water bij, maar dat oogde schoon en daarbij was er geen uitwisseling van water van het kleine meduse-aquarium met het (hoofd)aquarium waar de Kussensterretjes vandaan kwamen. Ook was zijn aquariumtemperatuur toen voor een langere periode 10 tot 12 ºC. Dat zou dodelijk moeten zijn voor Cladonema. Dus toch de eerste Nederlandse vondst?

 

Robert Brons, die jarenlange ervaring heeft met het kweken van zeedieren, gaf een duidelijke reactie op mijn concept tekst: hij was niet overtuigd van de Nederlandse herkomst. Hij zou dat pas zijn als het aquarium en alles daaromheen grondig gesteriliseerd zou zijn, laat staan dat er ‘vreemd’ materiaal in terecht is gekomen als de Kussensterretjes. Robert: “Cladonema komt zeer, zeer algemeen voor in Nederlandse zeeaquaria en dat is al minstens 40 jaar zo. Vanuit mijn aquacultuur-verleden weet ik dat Cladonema zich ondanks UV-sterilisatie, handen en netten ontsmetten, toch verbazingwekkend gemakkelijk van het ene naar het andere systeem weet te verspreiden. Ongetwijfeld door menselijke foutjes, maar nooit was iemand zich daarvan bewust. Dit dier is een ongelooflijke overlevings- en verspreidingskunstenaar.” Op basis daarvan durf ik uiteindelijk niet te stellen dat Thom’s exemplaren met zekerheid uit Nederlandse wateren komen. Opnieuw jammer, maar het is meteen een goede aanleiding om naar deze hydromeduses uit te kijken. Daarover later meer. 

 

Het gaat dus om de hydropoliep Cladonema radiatum Dujardin, 1843. Het dier valt onder de stam Cnidaria, waartoe ook kwallen, zeeanemonen en koralen behoren en vervolgens onder de klasse Hydrozoa. Omdat het verspreidingsgebied van dit kleine, wat verborgen dier erg groot is, vraagt Schuchert (2006) zich af of het niet om een complex van soorten gaat. Zoals zo vaak volgt dan de opmerking dat er nader onderzoek gedaan moet worden. 


fig. 3. Detail met ocelli.

Verschijning

In Vervoort & Faasse (2009) wordt de volgende beschrijving gegeven van de meduse: "Meduse klokvormig, tot 3 mm hoog en iets smaller. Met 8-10 vertakte tentakels; onderste vertakkingen kort en met hechtschijfje, bovenste langer met bolvormige netelconcentraties. Tentakels aan basis verdikt en met bruine ocel (redactie: oog, lichtgevoelige cellen; fig. 3). Scherm aan buitenzijde met verspreide netelcellen. Manubrium (redactie: het orgaan dat de maagholte bevat en eindigt in een mond; fig. 4) sigaarvormig, mondopening omgeven door 5-7 lobachtige tentakels. Gonaden (redactie: voortplantingsorganen) langs bovenste tweederde van het manubrium." Ik heb overigens geen enkel exemplaar gezien met een sigaarvormig manubrium. Het doet me eerder aan een knotsvorm denken. Het dier kan het orgaan sterk samentrekken en heen en weer bewegen (fig. 5).


fig. 4. Detail met manubrium.

 

Ben je het Engels machtig, dan vind je in Bouillon et al. (2004) een determinatiesleutel en daarnaast veel informatie over Hydrozoa in het algemeen (zeer lezenswaardig!). In Schuchert (2006) vind je de meest uitgebreide beschrijving van deze soort. Overigens zijn alle drie genoemde publicaties als PDF op te halen (zie Literatuur). 

 

Poliep en meduse

Veel hydropoliepen zoals Cladonema radiatum kennen zowel een vastzittend poliepstadium als een vrijzwemmend medusestadium. Die dieren lijken in die verschillende stadia helemaal niet op elkaar en werden in het verleden vaak als aparte soorten beschreven. De naam hydropoliep (ook wel hydroïdpoliep) is verwarrend, omdat je dan eigenlijk alleen de poliep benoemd, niet de meduse. En dat terwijl die meduse soms juist zo opvallend is. 


Die verwarring zie je ook terug in de (soms verouderde) Nederlandse naamgeving van diverse soorten Hydrozoa, zoals bijvoorbeeld Clytia hemisphaerica. Dat dier heet als poliep Getand zeemos en als meduse Kleine of Getande klokpoliep! Voorzover ik weet, is het ook de enige klasse van zeedieren waarbij die duidelijk verschillende ontwikkelingsstadia een aparte Nederlandse soortnaam hebben gekregen. Bij een aantal soorten hydropoliepen is het medusestadium leidend in de naamgeving (zij het vreemd genoeg niet met het woord meduse): Lampenkapje, Parasolletje, Japanse kruiskwal, Klepelklokje en zo meer. Kijkend naar die soorten lijkt de opvallende vorm en de grootte van die meduses en de frequentie waarin het dier in dat stadium wordt aangetroffen, bepalend geweest voor de naamkeuze. Dat lijkt mij ook voor de Nederlandse naamgeving van Cladonema radiatum van toepassing.


fig. 5. Detail met samengetrokken manubrium. 
Aan de onderzijde is het velum met daarin een opening zichtbaar.

 

Nederlandse naam

Omdat veel mensen een Nederlandse naam beter onthouden, ben ik meteen op zoek gegaan naar (mogelijke) Engelse namen als referentie. Op internet kwam ik de volgende namen tegen: ‘root-arm medusa’, ‘aquarium medusa’ en ‘rocket jelly’. Het zijn allemaal toepasselijke namen. Root-arm medusa (Fenwick, website Aphotomarine), vrij vertaald wortelstelsel meduse, slaat duidelijk terug op de vorm van de gespreide tentakels, zoals je die ziet op fig. 1 en 2. Aquarium medusa (Bay-Nouailhat, 2006; Cole, 2017) zegt iets over de zeer frequente aquariumwaarnemingen van Cladonema en dat is natuurlijk wel een heel bijzondere ‘eigenschap’. De vraag is of dat specifiek genoeg is: google eens op het woord aquarium medusa en je ziet allerlei kwallen in aquaria voorbijkomen, niet Cladonema. Rocket jelly kom ik één keer tegen (Buttivant, 2020). Die naam vertaald als Raketmeduse spreekt mij het meest aan. Het dier valt namelijk vooral op door de snelle, schokkerige sprongetjes die het maakt; het oogt en beweegt als een raketje. Zie bijgaand filmpje. Gaan we ooit ook het poliepstadium vinden, dan kunnen we daar Raketpoliep van maken. 

 


Formaat

Waar Vervoort & Faasse (2009) schrijven "tot 3 mm hoog en iets smaller", noemt Bay-Nouailhat (2006) een diameter van maar liefst 6 mm. Dat is dus fors groter. Die van mij waren zoals al aangegeven 0,5 tot 2,5 mm hoog. Voor alle duidelijkheid: het gaat om de hoogte of diameter van het klokje, dus zonder de tentakels. Bedenk daarbij dat het dier (meer dan 95% water!) zich makkelijk groter en kleiner en anders van vorm kan maken (fig. 6) door water in en uit zijn lijf te pompen.


fig. 6 De Raketmeduse in een andere vorm.

Kleur

Schuchtert (2006): "De kleur van het manubrium en de tentakels is rood, helderrood of bruin; ocelli zwart of diep karmozijn". Niet vermeld is: de rest van het dier is doorzichtig en kleurloos. Ik zie vooral oranje als kleur, maar het valt mij - niet voor het eerst - op dat de zwarte of witte achtergrond waarop ik dieren vaak fotografeer en de (grote) hoeveelheid licht die ik op of door het dier laat vallen, voor een andere kleurweergave zorgen. Alleen het exemplaar tegen de lichte achtergrond (fig. 7) en op de zeeanemoon (fig. 8) zijn duidelijk rood. Hoewel het in de foto’s deels om verschillende exemplaren ging, oogden zij op het oog met hetzelfde licht identiek van kleur. De ‘kleurervaring’ die je zult hebben met dieren in een natuurlijke omgeving zal dus door een andere achtergrond (zeegras, bruinwieren, vrijzwemmend in het water) en verschillend licht (zonlicht, duiklamp) ook sterk verschillen. Je kunt overigens meer kleuren ontdekken (fig. 1, 3 en 9); die worden veroorzaakt door een andere invalshoek van het licht.

fig. 7. Meduse gefotografeerd voor een lichte achtergrond.


Voortbeweging 

Zoals al gezegd beweegt de meduse zich voort met snelle, schokkerige sprongetjes. Heel anders dan de gracieuze, rustig golvende bewegingen van kwallen of bijvoorbeeld van het meer verwante Lampenkapje. Door het hard samentrekken van het klokje (fig. 6) en verkleining van de opening van het velum (een membraan dat het klokje afsluit, fig. 5), wordt door die opening met grote kracht water geperst, zoals bij een straalmotor, waardoor het dier wegschiet. Dan hangt het even vrij in het water, schiet weer verder weg of zakt langzaam naar de bodem. Landt hij op zijn zijkant op de bodem, dan blijft hij vaak even liggen om zich vervolgens op te richten met zijn tentakels vastgehecht aan de ondergrond. Grote afstanden legt het dier niet af; in stromend water is hij niet in staat tegen de stroming in te zwemmen. Hoewel Bouillon et al. (2004) schrijven dat hij door middel van zijn tentakels over de bodem kan lopen, zegt o.a. Schuchert (2006) juist dat hij dat niet kan en dat de tentakels alleen gebruikt worden om zich aan de bodem vast te zetten. Ik kan mij ook niet herinneren dat ik ze ermee heb zien lopen. Zoals op de foto’s goed is te zien, kan de Raketmeduse zijn tentakels ver uitstrekken en intrekken; ver uitgestrekt op de bodem is het dier stevig verankerd. 

 

Voedsel

Bouillon et al. (2004) noemen schaaldieren, vislarven en andere planktonische en epibentische organismen als voedsel van Hydrozoa. Sommige soorten kunnen zich voeden met bacteriën, protozoën, fytoplankton en zelfs opgelost organisch materiaal; andere soorten herbergen symbiotische intracellulaire algen waaruit ze bepaalde voedingsstoffen kunnen fixeren. Hij en andere auteurs noemen geen specifiek voedsel voor de Raketmeduse. 

Voortplanting

Zoals al gezegd heeft Cladonema radiatum zowel een vrijzwemmend medusestadium als een vastzittend poliepstadium. Hoewel er in het meduse-aquarium een draderige structuur op het glas van het aquarium ontwikkelde, waaruit zich een aantal poliepen vormden, bleek dat niet van deze soort te zijn. Ik heb ze dus nog niet gezien en verwacht ze ook na twee jaar niet meer. Voor verdere informatie over de voortplanting verwijs ik graag naar het artikel met prachtige foto’s van Robert Brons in Het Zeepaard (82-3). Op het houden in een aquarium kom ik nog terug.   

 

Verspreiding

Cladonema radiatum is een cosmopoliet, maar komt oorspronkelijk uit Europa. Op de website van het Smithsonian Environmental Research Center (klik hier) is een kaart opgenomen waar het dier voorkomt. Dat het dier zich steeds verder verspreid - al of niet via de zeedierenhandel - blijkt bijvoorbeeld uit een recente publicatie van de waarneming in Pakistan (Ghory, 2020). Aangetroffen in een aquarium gevuld met zeewater uit het getijdengebied daar. Of daar geen sprake is van onbedoelde introductie met buitenlands materiaal, kan ik niet beoordelen. 

 

Habitat

Het dier vestigt zich gewoonlijk op zeewieren en zeegrassen (zoals Neptunusgras, Posidonia oceanica of Groot zeegras, Zostera marina), maar ook op hard substraat. De soort wordt – althans in Europa – gevonden van juni tot oktober. Hij kan tijdens warme periodes zeer algemeen zijn. Ook wordt genoemd dat het dier tintelingen kan veroorzaken bij zwemmers. Als het om dezelfde dieren gaat die mij en mijn vrouw belaagden in de zee bij Biarritz in 1989, dan is tintelingen eufemistisch uitgedrukt: na een minuut of vijf in zee hadden we genoeg van de tamelijk pijnlijke steken (gevoel vergelijkbaar met de steek van een daas) van een onzichtbaar dier. Ze zijn mogelijk ook 'netelig' genoeg om niet door een veel grotere zeeanemoon te worden verzwolgen. Ik zag in mijn aquarium een Raketmeduse in aanvaring komen met Telmatactis forskalii (fig. 8). De zeeanemoon bracht de meduse met twee tentakels naar zijn mond, maar duwde hem een paar seconden later weg, waarna de meduse nog 18 minuten bleef plakken. De meduse had bij de aanraking direct zijn tentakels samengetrokken onder de klok. Uiteindelijk sloot de zeeanemoon zich en bleef de meduse nog lange tijd aan de buitenkant hangen. 


fig. 8. Meduse in de tentakels van Telmatactis forskalii.

 

Aquarium

Cladonema radiatum blijkt het in warmwater aquaria zo goed te doen, dat hij veel gebruikt wordt als laboratoriumdier voor ontwikkelings- en moleculaire studies. In veel privé aquaria wordt het dier als een pest gezien. In Schuchert (2006) is vermeld dat een kolonie van dit dier meer dan 30 jaar leefde in een aquarium in Berlijn. Bouillon et al. (2004) schrijven dat de levensduur van hydromeduses ligt tussen een paar uur en een maand. Ik heb van de oorspronkelijke pakweg tien meduses één individu twee en één bijna drie maanden in leven gehouden (beide exemplaren heb ik apart gehouden in een plastic emmertje). Dat is dus beduidend langer dan de maand van Bouillon et al. (2004). Thom liet weten dat hij de meduses ongeveer tot oktober is blijven zien, maar dat hoeven niet steeds dezelfde exemplaren te zijn geweest.

 

Ik voerde ze met Coralific Delite, kleine korreltjes aquariumvoer voor koralen en zeeanemonen die je in water doet en met een pipet geeft. Bij de meduses kon ik het roodgekleurde voer in de maag zien zitten. Na twee maanden ben ik ze dagelijks Artemia larfjes gaan geven. Zowel het aquarium als het emmertje werden belucht; het emmertje heel licht om de kwetsbare dieren niet te beschadigen. Het aquarium werd sterker belucht, omdat daar ook wat andere dieren in zaten. Vaak zag ik ze bovenin het aquarium aan het glas ‘geplakt’ zitten. Ze konden zich zonodig tegen de stroming beschermen door zich te nestelen tussen het Caulerpa racemosa. Zette ik de luchtpomp uit om ze wat te voeren, dan zag ik ze vaak tussen het groenwier vandaan komen. Eens per twee dagen verving ik een kwart van het water in het emmertje. In het aquarium verving ik pakweg 1 liter per 2 weken.

 

Op zoek langs de Nederlandse kust

Zie je de meduse in een aquarium al makkelijk over het hoofd, in natura wordt dat nog wat lastiger. Toch hoop ik dat je, met de foto’s van het dier in het achterhoofd en je bedenkend dat het klokje niet veel hoger is dan 3 mm, eens dit prachtige en interessante dier al stenen kerend of duikend tegen zult komen. Dat dat mogelijk is blijkt uit een leuke reportage op Cornish Rock Pools (Buttivant, 2021, klik hier). Zoals Robert Brons schreef: "dan pas ben ik echt overtuigd dat het om een Nederlands exemplaar gaat!"

 

Dank

Ik dank Thom van Riet voor het delen van zijn bijzondere vondst. Marco Faasse dank ik voor de bevestiging van de soort, aanvullende informatie en het nalezen van dit blogbericht/artikel. Robert Brons bedank ik voor het nalezen, het voorkomen van de conclusie dat de soort in Nederlandse wateren is gevonden en vooral omdat zijn magnifieke fotografie - die hij al in een ver verleden presenteerde bij een lezing voor de Strandwerkgemeenschap - een belangrijke inspiratiebron is geworden voor mijn ‘in vitro fotografie’.

 

Alle foto's (in vitro): Mick Otten.


fig. 9. Een andere invalshoek van het licht veroorzaakt andere kleuren.

Literatuur 

  • Bouillon, J., M.D. Medel, F. Pagès, J.M. Gili, F. Boero & C. Gravili, 2004. Fauna of the Mediterranean Hydrozoa. Scientia Marina 68: 5-438. Klik hier voor PDF.
  • Cole, T.C.H., 2017. Wörterbuch der Wirbellosen / Dictionary of Invertebrates. Latein-Deutsch-English. Springer Spektrum, Berlin. 
  • Ghory, F.S., Q.M. Ali & Q. Ahmed, 2020. First record of Cladonema radiatum Dujardin, 1843 (Hydrozoa: Cladonematidae) from northern Arabian Sea, Pakistan. International Journal of Fisheries and Aquatic Research 5(3): 14-16. Klik hier voor PDF.
  • Schuchert, P., 2006. The European athecate hydroids and their medusae (Hydrozoa: Cnidaria): Capitata Part 1. Revue Suisse de Zoologie 113(2): 325-410. Klik hier voor PDF.
  • Vervoort, W. & M.A. Faasse, 2009. Overzicht van de Nederlandse Leptolida (= Hydroida) (Cnidaria: Hydrozoa). Nederlandse Faunistische Mededelingen 32: 1-207. Klik hier voor PDF. 

Websites