20 February 2020

Siamese zeeanemonen, ongeslachtelijke voortplanting en ouwe koek

fig. 1  Siamese tweeling van de Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans var. nivea*. 
Zeelandbrug, Oosterschelde, 19-9-2019 (in vitro 5-10-2019).

Het begint een beetje als een sprookje. Lang geleden -  februari 1978 - werd er in mijn aquarium een Zeeanjelier, Metridium dianthus, geboren met een opvallende vorm: binnen een gedeelde voet zag je twee individuele zuilen met daarop de van zeeanemonen bekende tentakelkrans. Het ‘ouderdier’ - afkomstig van de pontons van de haven van Burghsluis - had zich voortgeplant door zich te verplaatsen en daarbij stukjes van zijn voet, het orgaan waarmee het dier zich vasthecht aan de ondergrond, achter te laten. De standaardmethode van voortplanting bij Zeeanjelieren. Uit zo’n afgebroken stukje voet ontwikkelt het dier een zuil, mond, tentakels en alles waaruit een anemoon verder bestaat. Maar hier was dus iets minder standaard verlopen. Twee individuen deelden dezelfde voet: een Siamese tweeling.

fig. 2  Siamese tweeling Zeeanjelier, Metridium dianthus. Zeelandbrug, Oosterschelde, 21-2-2018.

Op 21 februari 2018 zag ik duikend bij de Zeelandbrug zo’n zelfde Siamese Zeeanjelier (fig. 2) staan. De foto die ik daarvan maakte, deelde ik op de Facebookpagina van Stichting ANEMOON. Stefan Verheyen plaatste op 20 augustus 2019 bij mijn bericht een foto van een Siamese Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans (fig. 3). Die soort had ik nog nooit als tweeling gezien. Vervolgens ontstond er op Facebook discussie of het ging om een Siamese tweeling of dat de in het bericht getoonde zeeanemonen zich gingen delen. Ik was er van overtuigd dat het daadwerkelijk om Siamese tweelingen zou gaan en dat de anemonen zich niet (alsnog) zouden delen.

fig. 3  Siamese tweeling Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans var. miniata
Putti’s Place, Oosterschelde, 20-8-2019. © Stefan Verheyen.

Voortplanting
Om de discussie te begrijpen eerst wat over de voortplanting van zeeanemonen. Zeeanemonen kunnen zich geslachtelijk en ongeslachtelijk voortplanten. Geslachtelijke voortplanting vindt plaats via ei- en zaadcellen waaruit zich een larve ontwikkelt. Die zet zich vast op de ondergrond en groeit uit tot een volwassen zeeanemoon. Bij zeeanemonen kan dat ook levendbarend, dus via inwendige ontwikkeling. Als nagenoeg complete anemoontjes verlaten ze via de mondopening het ouderdier. Een voorbeeld van een anemoon die zich levendbarend voortplant is de Edelsteenanemoon, Aulactinia verrucosa (fig. 4 & 5), een soort die in Nederland alleen bekend is van aanspoelsel (Den Hartog, 1962).

fig. 4  Edelsteenanemoon, Aulactinia verrucosa, met middenboven een levendgebaard exemplaar. 
Trebeurden, Frankrijk (oorsprong ouderdier), 24-8-1990 (in vitro 19-11-2017).

fig. 5  Juveniele Edelsteenanemonen, Aulactinia verrucosa met een nog beperkt aantal tentakels. 
Trebeurden, Frankrijk (oorsprong ouderdier), 24-8-1990 (in vitro 16-11-2017).

De ongeslachtelijke voortplanting is eigenlijk veel interessanter bij zeeanemonen. Afhankelijk van de soort (‘spoiler alert’: ik neem even een voorschot op de conclusie van de discussie) gebeurt dat door deling of door het afscheuren van een stukje van de voet.

fig. 6  Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans laat zijn voet weglopen. Burghsluis, Oosterschelde, 14-9-2019.

Afscheuren van de voet
Het afscheuren van de voet beschreef ik al bij de Zeeanjelier. Die schuift dus een stukje van zijn plaats, laat vervolgens een aantal kleine stukjes weefsel achter en die ontwikkelen zich tot volledige zeeanemonen. Afgezien van de Zeeanjelier bedienen in Nederland ook de Sierlijke slibanemoon (fig. 6) en de Golfbrekeranemoon, Diadumene cincta zich van deze methode. De Sierlijke slibanemoon doet het wel in een andere vorm: de anemoon laat een deel van zijn voet weglopen. Die uitstulping rekt zo ver op dat er stukjes afscheuren, waaruit jonge anemoontjes ontstaan.

Overlangse deling
Overlangse deling is een spektakel: het dier trekt zich letterlijk in tweeën. Het laat het linker- en rechterdeel van zijn lichaam van elkaar wegschuiven en scheurt uiteindelijk finaal door midden (fig. 7). Het hoeft niet altijd precies door midden te zijn, maar beide helften nemen in ieder geval een stuk voet, zuil, mondopening en een aantal tentakels mee. Het is een kwestie van klonen; er is feitelijk ook geen juveniel exemplaar, want ze zijn beide het ouderdier.

fig. 7  Wasroos, Anemonia viridis van onderen gezien, die zich aan het delen is. 
Yerseke, Oosterschelde, 25-11-2014 (in vitro 22-2-2015).

Er zijn in Nederland drie soorten die zich zo voortplanten: de Groene golfbrekeranemoon, Diadumene luciae (fig. 8 & 12), het Margrietje, Actinothoe sphyrodeta en de Wasroos, Anemonia viridis (fig. 7). De eerste is redelijk algemeen (plaatselijk zeer algemeen); de andere twee zijn erg zeldzaam.

fig. 8  Groene golfbrekeranemonen, Diadumene luciae. Links een exemplaar met een paar v-vormige 'dubbel'-tentakels, 
waarschijnlijk als gevolg van een 'fout' bij de deling. Strijenham, Oosterschelde, 17-8-2011.

Door de deling ontstaat een extreem grote wond die de dieren moeten helen. De zeeanemonen die zich zo voortplanten, hebben een verbluffend regeneratievermogen. Een voorbeeld. In mijn aquarium heb ik anemoontjes uit Nieuw-Zeeland: de Witgestreepte anemoon, Anthothoe albocincta (verwant aan 'onze' Margrietjes). Die delen zich zeer frequent in mijn aquarium. Van één zo’n anemoontje heb ik in mijn aantekeningen genoteerd dat die zich ’s ochtends om 8:00 uur ging splitsen en dat ik de twee dieren als experiment om 20:00 uur een klein stukje mossel gaf, dat ze al naar binnen konden werken als voedsel. Dat is ronduit ongelooflijk met zo’n extreme verwonding! Op fig. 9 zie je zo'n Witgestreept anemoontje dat zich aan het delen is en op fig. 10, nog geen dag later, twee keurig geheelde anemoontjes. Zeesterren worden vaak aangehaald als het voorbeeld van regeneratievermogen, maar dat zijn eigenlijk maar amateurs: zeeanemonen zijn de echte top.

fig. 9  Witgestreepte anemoon, Anthothoe albocincta tijdens deling. Nugget Point, Nieuw-Zeeland, 7-2-2005 (in vitro).

fig. 10  Witgestreepte anemoon, Anthothoe albocincta na deling. Nugget Point, Nieuw-Zeeland, 7-2-2005 (in vitro).

Is het je overigens ooit opgevallen dat Zeeanjelieren, Sierlijke slibanemonen (fig. 11), Golfbrekeranemonen en Groene golfbrekeranemonen (fig. 12) vaak in dichte groepen te vinden zijn? De verklaring ligt voor de hand: veel dieren zijn gedeeld of afgescheurd en respectievelijk niet ver weg van elkaar of van het ouderdier gewandeld.

fig. 11  Groep Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans var. miniata. De juveniele dieren zijn vrijwel zeker afkomstig 
van één of meer van de omringende volwassen exemplaren. Burghsluis, Oosterschelde, 14-9-2019.

fig. 12  Groene golfbrekeranemonen, Diadumene luciae zijn door hun kleine formaat makkelijk over het hoofd te zien, maar 
vallen toch op omdat ze vaak in groepen bij elkaar staan. Zoetersbout, Oosterschelde, 19-7-2016.

Siamees of niet
Los van de discussie vond ik het een intrigerend en visueel mooi fenomeen. Komt het vaak voor? Is er in de literatuur iets over te vinden? Hoe zit het precies met de voortplanting waardoor deze afwijkingen kunnen ontstaan?

fig. 13  Siamese Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans var. nivea*. Zeelandbrug, Oosterschelde, 19-9-2019.

En toen vond ik op 19-9-2019 - hoe toevallig kan het zijn - een prachtige Siamese Sierlijke slibanemoon bij een duik op de tweede pijler van de Zeelandbrug. Waar Stefan Verheyen de bruine variëteit miniata had gefotografeerd, vond ik de witte variëteit nivea. Die heb ik gefotografeerd, zowel uitstaand (fig. 13) als met ingetrokken tentakels (fig. 14) en daarna meegenomen** en thuis gefotografeerd (fig. 1, 15, 19, 20-24). Het werd tijd voor onderzoek en het schrijven van een artikel!

fig. 14  Siamese Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans var. nivea* met ingetrokken tentakels. Zeelandbrug, Oosterschelde, 19-9-2019.

fig. 15  Siamese Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans var. nivea* met ingetrokken tentakels. 
Zeelandbrug, Oosterschelde, 19-9-2019 (in vitro 5-10-2019).

Op zoek naar antwoorden 
In de literatuur die ik voor handen had, kon ik over Siamezen amper iets vinden. In Wood (2005, p19) vond ik een foto van een Siamese Diepwaterdahlia, Urticina eques met de tekst “Dahlia anemone in the process of longitudinal fission” (= Dahlia die zich overlangs gaat delen). Ik geloofde daar niets van. Die Diepwaterdahlia ging niet splitsen, want gebaseerd op jarenlange veld- en aquariumwaarnemingen wist ik - nog voor ik literatuur had geraadpleegd - dat Urticina’s zich niet voortplanten op die manier.

Verder zoeken dus. Op internet kwam ik bij Duikeninbeeld twee foto’s tegen van Zeedahlia’s, Urticina felina die Ad Aleman had gefotografeerd bij de Blokkendam (fig. 16 en 17), samen met zijn vraag of zoiets als een Siamese tweeling bestaat bij deze soort. Bestaan doet het zeker gezien de foto in het al aangehaalde boekwerk van Wood. Maar bij Ad’s foto’s is er twijfel, want zeeanemonen zijn nogal vormvariabel en deze Zeedahlia’s kunnen zich ook sterk hebben ingesnoerd, zoals Ad zelf ook al stelt. Helaas heeft hij geen foto’s kunnen maken waarop het mondveld goed zichtbaar is. Dat had zeker uitsluitsel kunnen geven, want dan zouden er twee mondopeningen zichtbaar moeten zijn. Later kreeg ik van hem nog zo'n intrigerende foto van een mogelijke Siamese Gewone slibanemoon, Sagartia troglodytes (fig. 18). Ook daarvan is het jammer genoeg niet met zekerheid vast te stellen of het om een Siamese tweeling gaat. Overigens doet ook de Gewone slibanemoon niet aan ongeslachtelijke voortplanting.

Het kwam er eigenlijk op neer dat ik antwoord moest vinden op de vraag of een bepaalde soort zich op verschillende manieren ongeslachtelijk kan voortplanten. Want uit die informatie zou moeten blijken of het wel of niet Siamese tweelingen zijn. Ik werd er nog niet veel wijzer van.

fig. 16  Siamese tweeling of sterk ingesnoerd? Zeedahlia, Urticina felina. Blokkendam, Noordzee, 15-9-2018 © Ad Aleman. 

fig. 17  Siamese tweeling of sterk ingesnoerd? Zeedahlia, Urticina felina. Blokkendam, Noordzee, 29-9-2018 © Ad Aleman.

Ouwe koek
Tijd voor het raadplegen van de vraagbaak op het terrein van zeeanemonen: Ron Ates. Ron liet er geen misverstand over bestaan. Hij deelde mijn mening over de Siamese tweelingen en noemde het 'ouwe koek'. Want zoals hij liet weten, was dit onderwerp 90 jaar geleden al afdoende beschreven door T.A. Stephenson, toen en in zekere zin nog steeds een autoriteit op het gebied van zeeanemonen. Ook verstrekte hij mij een aantal artikelen uit onder meer De Kor. Toen ik de jaartallen van die publicaties zag, bleek het ook ouwe koek: 1959 en 1961. Maar ouwe koek is nog altijd eetbaar en figuurlijk de moeite waard om - passend archaïsch uitgedrukt - het weer eens aan de vergetelheid te ontrukken.

Stephenson (1929) beschrijft uitgebreid de verschillende soorten voortplanting van zeeanemonen en experimenten daarmee door ene W.E. Evans, samen met zijn eigen observaties. Zijn conclusie: afgezien van geslachtelijke voortplanting kent een soort doorgaans maar één type ongeslachtelijke voortplanting. Dus waar bijvoorbeeld de Sierlijke slibanemoon stukjes voet loslaat, waaruit zich jonge anemoontjes ontwikkelen, zal deze soort zich niet overlangs delen zoals het Margrietje. Met andere woorden: Zeeanjelieren en Sierlijke slibanemonen delen zich niet overlangs en Siamezen blijven dus Siamezen.

Verder schrijft hij over Siamese tweelingen, die hij 'double specimens' en 'double-monsters' noemt (p162): “Double specimens are normally permanently double and the halves do not separate.” (lees: Tweedelige dieren zijn gewoonlijk permanent dubbel en de helften scheiden niet.) Ook haalt hij het volgende aan over dat onderwerp (p161): “Carlgren and others have shown that permanent double-monsters can originate from arrested and incomplete fission; but that many of them are double from an early embryonic stage, or arise from some other reason, and their condition has nothing to do with ordinary asexual reproduction.” (lees: Carlgren en anderen hebben aangetoond dat permanente dubbele 'monsters' afkomstig kunnen zijn van onvoltooide en onvolledige splitsing, maar dat veel dubbele exemplaren in een vroeg embryonaal stadium als zodanig - of om een andere reden - zijn ontstaan, en hun vorm heeft niets te maken met gewone ongeslachtelijke voortplanting.).

Overigens wordt in het artikel van Stephenson bij de Zeedahlia alleen gerept van geslachtelijke voortplanting. Dat bevestigt mijn stelling dat het Siamese exemplaar van Wood (zie eerder) helemaal niet gaat splitsen.

In de tijd dat ik op onderzoek was, kwam ik op 23-10-2019 bij een duik bij de Zeelandbrug een Siamees Zeeanjeliertje tegen. Ook die heb ik verzameld; Ik ben benieuwd of daar qua gedrag nog iets nieuws van te leren valt.

fig. 18  Mogelijke Siamese tweeling Gewone slibanemoon, Sagartia troglodytes
Den Osse - Nieuwe Kerkweg, 22-7-2017 © Ad Aleman.

Nog meer interessante ouwe koek
Wat ik voor het gemak steeds een Siamese tweeling noem, wordt ook door Van Soldt & Tak (1959) beschreven in De Kor in een lezenswaardig artikel met als titel 'Knopvorming en dubbelmondigheid bij zee-anemonen'. Zij halen de publicatie van Stephenson van 1929 en zijn conclusies al aan. Zij beschrijven onder meer dubbelmondige exemplaren van de Edelsteenanemoon, Aulactinia verrucosa (fig. 4 & 5) en van de Paardenanemoon, Actinia equina. Van de Edelsteenanemoon blijk ik in mijn aquarium ooit een Siamese tweeling te hebben gehad, maar afgezien van de datum van de notitie (22-6-1999) kan ik daarover helaas niets meer terugvinden. Van de Paardenaemoon heb ik nog nooit een Siamese tweeling gevonden.

Zij beschrijven ook een paar aquarium-waarnemingen, die ik hier graag overneem en waaraan ik mijn commentaar toevoeg:

“De twee monden of koppen van de anemoon groeien vrijwel even hard.” Dat is ook mijn ervaring met de Siamese Zeeanjelier van 1978 en de recente Sierlijke slibanemoon. Ik gaf en geef ze overigens ook een vergelijkbare hoeveelheid voedsel, dus dat is op zich niet vreemd. De twee dieren die de Siamese Zeeanjelier vormen die ik in oktober verzamelde, zijn wel duidelijk verschillend van grootte. Ik ben benieuwd of dat in de loop van de tijd veranderd.

“Onafhankelijk kan de ene mond voedsel opnemen zonder dat dit de andere mond beroerde.” Ook die ervaring deel ik (fig. 19). Op zich vind ik dat niet vreemd, omdat het - voorzover ik dat kan zien - bij mijn witte Sierlijke slibanemoon, twee onafhankelijke dieren zijn, die alleen de voet delen en met de zuilen deels aan elkaar vast zitten. De lichaamsholte (ook coelenteron of gastrale holte genoemd) wordt dus niet gedeeld. In mijn aquarium aantekeningen van de Siamese Zeeanjelier uit 1978 lees ik “hebben beide eigen tentakelkrans die afzonderlijk voedsel tot zich kunnen nemen”. Bij het voeren van de Siamese Zeeanjelier van oktober 2019 is wel te zien dat bij een sterke, gelijktijdige samentrekking van de tentakels, het mondveld en de zuil van het ene exemplaar, de ander zich ook samentrekt. Ik denk dat het andere exemplaar dan een tik krijgt, waardoor die uit irritatie samentrekt.

fig. 19  Het rechter exemplaar heeft net voedsel gevangen en trekt zijn tentakels in, het linker exemplaar staat nog volledig uit. 
Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans var. nivea*. Zeelandbrug, Oosterschelde, 19-9-2019 (in vitro 5-10-2019).

“De twee monden staan altijd samen open of zijn beide gesloten.” Dat was ook bij de Siamese Zeeanjelier van 1978 het geval, lees ik in mijn aantekeningen van 27-7-1987, en bij de Siamese Sierlijke slibanemoon. De recente Siamese Zeeanjelier is in dat geval uitzonderlijk, want ik zie het grootste exemplaar soms wel wat uitstaan (niet volledig), waarbij het andere exemplaar nog ingetrokken zit.
Of het samen open of gesloten zijn bijzonder of logisch is, kan ik niet goed beoordelen. Ik kan er zelfs met tientallen jaren aquariumervaring nog steeds geen hoogte van krijgen waarom een zeeanemoon dicht zit of uit staat.

“Nog nimmer heeft een van mijn twee-mondigen zich ook maar een cm verplaatst.” Mijn twee nieuwe Siamezen verplaatsten zich veel, maar zijn na een paar weken wat - maar niet helemaal - tot rust gekomen. Het kan betekenen dat de dieren het niet zo naar hun zin hadden (stroming? voedselaanbod?). Van de Siamese Zeeanjelier van 1978 kan ik mij dat niet herinneren en er staat niets over in mijn aantekeningen.
Meteen komt bij mij de vraag op hoe ze gezamenlijk aan de wandel gaan? Is het een gecoördineerde actie of gaat één van de twee zich verplaatsen en gaat de ander dan mee? Het laatste lijkt mij, want hoe wisselen ze signalen uit? Maar wie weet wat er gecommuniceerd wordt.

fig. 20   De Siamese Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans var. nivea* laat zijn voet weglopen. 
Zeelandbrug, Oosterschelde, 19-9-2019 (in vitro 22-10-2019, 11:52).

Nog het vermelden waard is dat de Siamese Zeeanjelier van 1978 het meer dan tien jaar heeft uitgehouden: “1-12-1988: Tweeling Metridium dood. Was samen met Sagartia elegans van de Flaauwers oudste dier van aqua (beiden uit '78). Metridium werd steeds kleiner en moeilijker te voeren (uiteindelijk 5 mm).”

In aansluiting en reactie op het artikel van Van Soldt & Tak (1959) schrijft Hajo Compaan in De Kor in 1961 zelfs een artikel over hoe we zulke monstruositeiten moeten benoemen. Hij stelt voor voortaan van veel-koppigheid te spreken als het meerdere tentakelkransen betreft (de Siamese tweelingen waar het in mijn verhaal over gaat) en van veel-mondigheid als het om meer dan één mond binnen één tentakelkrans gaat (bijvoorbeeld de Zeedahlia in het boek van Wood). Op zich een uitstekend voorstel; ik heb het voor nu maar even gelaten bij Siamese tweeling.

fig. 21   De weglopende voet van de Siamese Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans var. nivea* begint in te scheuren. Vanwege de hevige
irritatie worden acontiën (draden die netelkapsels bevatten) uitgestoten. Zeelandbrug, Oosterschelde (in vitro 22-10-2019, 19:25).

Koos den Hartog schrijft in een artikel over de Paardenanemoon, Actinia equina, in De Levende Natuur (1961) dat dubbelmondigheid veel voorkomt bij deze soort. Hij haalt Pax (1937) aan, die een viertal theorieën beschrijft over het ontstaan van deze monstruositeiten. Zeer interessant, maar het voert te ver die hier nu te noemen. Wel wil ik Den Hartog’s conclusie delen, namelijk dat naar zijn mening geen van die theorieën juist is: “Persoonlijk ben ik van mening dat verreweg het grootste aantal der dubbelvormen Siamese tweelingen zijn, dat het ontstaan ervan dus een embryologisch proces is.” In de literatuurverwijzing vind je een link naar het artikel als PDF, zodat je het verder kunt lezen.

Nog meer bewijs
Inmiddels heb ik nog een prachtig empirisch bewijs dat mijn dubbele Sierlijke slibanemoon ook daadwerkelijk een Siamese tweeling is. Het exemplaar dat ik meenam van de Zeelandbrug ging zich namelijk op 22-10-2019 voortplanten (fig. 20 t/m 23). Op de foto’s kun je zien hoe de voet wegloopt en afscheurt en er kleine stukjes voet achterblijven. De ouder anemoon is nog steeds (en blijft dus) een Siamese tweeling. Overigens loopt de voet weg bij één individu; niet in het midden tussen de twee Siamezen.

fig. 22   Detail van de weglopende voet van de Siamese Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans var. nivea* die begint in te scheuren. 
Zeelandbrug, Oosterschelde, 19-9-2019 (in vitro  22-10-2019, 22:09).

fig. 23   De voet van de Siamese Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans var. nivea* is grotendeels teruggetrokken. Uit de afgebroken 
stukjes voet ontwikkelen zich nieuwe anemoontjes. Zeelandbrug, Oosterschelde, 19-9-2019 (in vitro 23-10-2019, 5:58).

Conclusie
Mijns inziens is afdoende beschreven en bewezen dat veelkoppige Zeeanjelieren en Sierlijke slibanemonen zich niet splitsen en het dus in feite Siamese tweelingen zijn.

Ik breek meteen een lans voor het napluizen, lezen en publiceren uit ‘oude’ bronnen, zoals ik hier met hulp van Ron Ates (waarvoor mijn dank) heb gedaan. Ik vond het bijzonder dat er al zoveel beschreven en te vinden was in bijvoorbeeld een periodiek als het niet meer bestaande De Kor.

Commentaar op dit artikel en meldingen met foto’s van vondsten heet ik van harte welkom!


* Dit zijn foto's van steeds hetzelfde dier. Met name bij fig. 1, 19 en 24 zou je niet denken dat dit de nivea (witte) variëteit is van de Sierlijke slibanemoon. Door de fotografie van het dier op een donkere ondergrond (in een zwart plastic bakje) met veel flitslicht wordt de aanwezige oranje kleur (zie in mindere mate bij fig. 20 & 21) versterkt. 

** Ik heb een ontheffing van de provincie om als duiker te mogen verzamelen.

Literatuur & websites/links:
  • Ates, R., 1997. Bloemdieren, de zeeanemonen en hun verwanten van de Nederlandse kust. ISBN 9080359513.
  • Compaan, H., 1961. Enkele zee-anemoonproblemen en iets over monstruositeiten. De Kor, jrg 11, no 1, maandorgaan van Biologia Maritima, Nederlandse Vereniging van Zeeaquariumliefhebbers. Klik HIER voor een PDF van het artikel. 
  • Hartog, J.C. den, 1961. Enige aantekeningen over Actinia equina (L.), de Gewone zeeanemoon. De Levende Natuur 64 (12): 280-285. Klik HIER voor een PDF van het artikel. 
  • Hartog, J.C. den, 1962. Op Himanthalia elongata aangevoerde zeeanemonen te Den Helder in 1960 en enige aanvullende aantekeningen over Corynactis viridis, Het Zeepaard 1962-1. 
  • Otten. M.J., 2018. Facebookbericht m.b.t. Siamese tweeling-anemonen. 2018-02-22. Klik HIER om die pagina te openen. 
  • Soldt, O. van & H. Tak, 1959. Knopvorming en dubbelmondigheid bij zee-anemonen. De Kor, jrg 9, no 9, 175-180. Klik HIER voor een PDF van het artikel: 
  • Stephenson, T.A., 1929. On methods of reproduction as specific characters. J. Mar. Biol. Ass. UK, 16, 131-72 (als PDF bij mij op te vragen)
  • Wood, C., 2005. Guide to Sea Anemones ans Corals of Britain and Ireland. ISBN 948150416.

fig. 24   Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans var. nivea*: 'bloemen'pracht in tweevoud. 
Zeelandbrug, Oosterschelde, 19-9-2019 (in vitro 5-10-2019).

27 December 2019

Grijze zeevinger - Alcyonidium condylocinereum - inheems gevonden in de Oosterschelde

  fig. 1  Grijze zeevinger, Alcyonidium condylocinereum. Groep 1. Anna Jacobapolder, Oosterschelde, 12-12-2019.

An English version of this post is under construction

Begin dit jaar fotografeerde mijn duikbuddy Ruud Versijde bij Anna Jacobapolder een organisme dat onderwater op een spons leek, maar bij nadere beschouwing een soort Zeevinger, een mosdiertje, moest zijn (fig. 2). Er kwamen twee soorten Zeevinger in aanmerking, dus ben ik het dier nog een paar keer onderwater gaan bekijken en fotograferen. Na determinatie door expert Hans De Blauwe, blijkt het om de Grijze zeevinger, Alcyonidium condylocinereum te gaan.

fig. 2  Grijze zeevinger, Alcyonidium condylocinereum. Groep 1. Anna Jacobapolder, Oosterschelde, 28-2-2019. 
Foto: Ruud Versijde.

Mosdiertje?
Als het woord mosdiertje valt, wordt al snel gevraagd waar die dieren thuis horen en waar ze op lijken. Ze horen nergens bij, maar vormen een aparte stam binnen het dierenrijk: de Bryozoa. De vorm van deze kolonievormende dieren is nogal variabel. Van een één laag dunne korst, struikjes, bladvorm tot de gelobde of vingervormige takken van Grijze zeevinger. Verwarring met sponzen, kolonievormende zakpijpen en bijvoorbeeld Dodemansduim, Alcyonium digitatum, is niet vreemd. Maar met het blote oog en zeker met een loep kun je bij mosdiertjes een onderscheidende honingraatachtige structuur zien, opgebouwd uit de randen van de individuele diertjes, de zoïden (fig.  3 & 9).

  fig. 3  De individuele diertjes, de zoïden van de Grijze zeevinger, Alcyonidium condylocinereum zijn goed te zien; 
ze vormen een honingraatachtige structuur. Anna Jacobapolder, Oosterschelde, 24-7-2019 (in vitro 25-7-2019).

Veel mosdiersoorten zijn klein en onopvallend en tussen sponzen, zakpijpen en zeewieren makkelijk over het hoofd te zien. Dat is bij deze soort en zeker bij de gevonden exemplaren niet het geval. Het gaat om twee aparte groepen met kleine en grote kolonies (fig. 1 & 4). Beide groepen strekken zich uit over een strook van circa 40 cm en de grootste exemplaren zijn zo’n 20 cm lang.

fig. 4  Grijze zeevinger, Alcyonidium condylocinereum. Groep 2. Anna Jacobapolder, Oosterschelde, 12-12-2019.

Grijze of Bruine zeevinger?
Met het prachtige determinatieboek 'Mosdiertjes van de zuidelijke bocht van de Noordzee' kun je deze dieren op naam brengen. In veel gevallen heb je een microscoop en enige kennis of anders veel geduld nodig om je er in te verdiepen. Voor determinatie werd Hans De Blauwe, auteur van het genoemde boek, geraadpleegd en bleek het Grijze zeevinger te zijn.

 fig. 5  De uitgestrekte 'polypiden' van de Grijze zeevinger, Alcyonidium condylocinereum veroorzaken de honingkleur. 
Anna Jacobapolder, Oosterschelde, 24-7-2019.

Hoewel er meer soorten Zeevinger van onze kust bekend zijn, zijn er zo op het oog twee soorten die voor de gevonden mosdiertjes in aanmerking komen en die redelijk op elkaar lijken: Grijze zeevinger, Alcyonidium condylocinereum en Bruine zeevinger, Alcyonidium diaphanum (fig. 6 & 7).

Kenmerkend voor Grijze zeevinger is dat er eerst een uitgebreide korst gevormd wordt die - kenmerkend - gemakkelijk van het substraat afpelt. Daarna worden opgerichte cilindrisch geknobbelde koloniedelen gevormd. De Bruine zeevinger daarentegen heeft een kleine korst als aanhechting en de lange opgerichte koloniedelen zijn onderaan ingesnoerd (De Blauwe, 2009).

fig. 6  Bruine zeevinger, Alcyonidium diaphanumPorthkerris, United Kingdom, 29-5-2018.

fig. 7  Bruine zeevinger, Alcyonidium diaphanum met uitgestrekte 'polypiden'. Porthkerris, United Kingdom, 29-5-2018.

In de zoïden (dus de individuele diertjes waaruit de kolonie is opgebouwd)(fig. 3 & 9) zit een zogenaamde polypide (fig. 8), bestaande uit o.a. de tentakelkrans, spijsverteringskanaal en spieren. De polypide van de Grijze zeevinger heeft minimaal 16 tentakels en die van de Bruine zeevinger maximaal 16 (De Blauwe, 2009). Met enige moeite kon ik op een foto 17 tentakels tellen (fig. 8). Een verdere beschrijving van Grijze en Bruine zeevinger kun je vinden in het al genoemde boek (De Blauwe, 2009).

  fig. 8  Met enige moeite zijn 17 tentakels te tellen van één enkel diertje van de Grijze zeevinger, Alcyonidium condylocinereumAnna Jacobapolder, Oosterschelde, 24-7-2019 (in vitro 25-7-2019).

Kleur
De gevonden Grijze zeevingers zien er op afstand deels beige, deels grijs uit, maar blijken van dichtbij vooral beigegrijs en honingkleurig. De honingkleur wordt veroorzaakt door de inwendige organen onder de tentakelkrans, die zichtbaar zijn buiten het kolonie-oppervlak bij uitgestulpte tentakelkransen (fig. 8). Het oppervlak van de zoïden zelf is grijs (fig. 3 & 9).

 fig. 9  De polypide (pijl) zit opgesloten in de zoïde. Grijze zeevinger, Alcyonidium condylocinereum. 
Anna Jacobapolder, Oosterschelde, 24-7-2019 (in vitro 25-7-2019).

Ontwikkeling
Als je meerdere keren naar hetzelfde dier gaat duiken en het fotografeert, kun je meteen de ontwikkeling van het dier zien. Zoals bij groep 1: op fig. 1 is goed te zien dat een paar kolonies duidelijk veel langer zijn geworden in vergelijking met fig. 2. Groep 2 (fig. 4) zag ik pas onlangs en ik heb daarvan dus geen andere stadia kunnen fotograferen.

 fig. 10  Grijze zeevinger, Alcyonidium condylocinereum. Anna Jacobapolder, Oosterschelde, 24-7-2019.

Voorkomen
In de Noordzee en het Kanaal moet het dier vrij algemeen zijn, want Grijze zeevinger wordt regelmatig  als aanspoelsel gemeld van de Nederlandse en Belgische kust bij de Strandwerkgemeenschap, ANEMOONWaarneming.nl en Observations.be.

Toen ik dit bericht schreef voor NatureToday, verkeerde ik in de veronderstelling dat het dier in Nederland niet eerder inheems was gevonden, althans dat dat niet met zekerheid kon worden vastgesteld. Dat blijkt niet juist! Zie de rectificatie onder de volgende alinea (de tekst van de volgende alinea is de originele tekst).

Bij Westkapelle zijn door Marco Faasse vóór 2002 twee kleine kolonies gevonden (klik hier), die sterk leken op Grijze zeevinger. Daarnaast zijn door duikers bij ANEMOON meldingen gedaan van de Doorschijnende zeevinger, Alcyonidium gelatinosum op een paar plaatsen in de Oosterschelde (*) en de Noordzee (*)(fig. 11). Ook dat zouden exemplaren van de Grijze zeevinger kunnen zijn; de Grijze zeevinger is namelijk pas in 2004 als soort beschreven door Porter. In Faasse & De Blauwe (2004) vind je op pagina 20 en 23 een uitgebreide toelichting over Nederlandse naamgeving en vondsten. In ieder geval is de soort nu met zekerheid als inheems te bestempelen en te bewonderen!

Rectificatie d.d 8-1-2020: Rob Dekker blijkt de Grijze zeevinger al eerder - in ieder geval vanaf 2013 - regelmatig in de Waddenzee te hebben gevonden. Aanvullende informatie moet ik daarover nog krijgen en wordt nog in fig. 11 opgenomen.

fig. 11  Bij ANEMOON gemelde vondsten van Doorschijnende zeevinger, Alcyonidium gelatinosum.

De Grijze zeevinger is in België als inheemse soort bekend van het getijdengebied van Koksijde en Nieuwpoort. Zie een bericht daarover op NatureToday (klik hier).

In het Nederlands Soortenregister wordt Grijze zeevinger als exoot bestempeld (in de zin als ‘door de mens geïntroduceerd’). Waar dat op is gebaseerd, is niet duidelijk. Het gedocumenteerde verspreidingsgebied zoals in WoRMS is weergegeven, ligt met name rond Ierland. Natuurlijke verspreiding lijkt dan net zo voor de hand te liggen.

fig. 12  Bleke plooislak, Goniodoris nodosa, één van de predatoren van Grijze zeevinger
Anna Friso, Oosterschelde, 4-2-2017 (in vitro 6-2-2017).

Predatie
Van twee soorten zeenaaktslakken is bekend dat die Grijze zeevinger op het menu hebben staan: de Bleke plooislak, Goniodoris nodosa (fig. 12) en de Egelslak, Acanthodoris pilosa (klik hier voor foto's en informatie over de Egelslak). De Blauwe (2004) meldt daarover dat hij bij Koksijde op deze soort minstens tien Egelslakken vond! Ik heb nog geen prooidieren op de Grijze zeevingers gevonden.

Dank
Met dank aan Ruud Versijde voor het delen van zijn vondst, Hans De Blauwe voor de determinatie en Hans en Marco Faasse voor het verstrekken van informatie en voor het nalezen van de tekst van het NatureToday bericht dat samen met dit blogbericht werd gepubliceerd. Tevens wil ik Adriaan Gmelig Meyling, Stichting ANEMOON en Rien de Ruijter, Strandwerkgemeenschap, bedanken voor hun naspeuringen naar vondsten van een aantal soorten Zeevinger.


Literatuur & websites/weblinks
  • Blauwe, H. De, 2004. De zeevingers Alcyonidium condylocinereum Porter, 2004 en Alcyonidium diaphanum (Hudson, 1778) (Bryozoa: Ctenostomatida) aan de Belgische kust. De Strandvlo 24(2): 74-77. 
  • Blauwe, H. De, 2009. Mosdiertjes van de Zuidelijke Bocht van de Noordzee: Determinatiewerk voor België en Nederland. Vlaams Instituut voor de Zee, Oostende. ISBN 9789081290036.
  • Blauwe, H. De, 2013. Historisch laag tij legt bijzondere beesten bloot. NatureToday. Klik hier
  • Bryozoa of the British Isles: http://britishbryozoans.myspecies.info/content/alcyonidium-condylocinereum-0
  • Faasse, M.A. & H. De Blauwe, 2004. Faunistisch overzicht van de mariene mosdiertjes van Nederland (Bryozoa: Stenolaemata, Gymnolaemata). Nederlandse Faunistische Mededelingen 21: 17-54. Klik hier voor een PDF.  
  • Nederlands soortenregister. Klik hier.  
  • Otten, M.J., 2018. Thorny doris - Acanthodoris pilosa - and the advantages of a waterproof compact camera. Micks Marine Biology. Klik hier.
  • Porter, J.S., 2004. Morphological and genetic characteristics of erect subtidal species of Alcyonidium (Ctenostomata: Bryozoa). Journal of the Marine Biological Association of the UK. 84(1): 243-252. Klik hier voor een PDF.
  • WoRMS. Klik hier.

25 June 2019

Een Geep - Belone belone - in het getijdengebied

fig.1. Geep, Belone belone belone. Neeltje Jans, Noordzee, 4-6-2019. 
Click here for an English version 

Hoe vaak maak je zoiets mee? Eén keer in je leven? Een grote Geep, Belone belone, die in een ondiep stroomgebied 'omhoog', richting land, zwemt. Ik maakte het mee bij Neeltje Jans op 4 juni 2019.


fig. 2. Detail met kop van de Geep, Belone belone belone en parasiet Caligus species (zie verderop) op de kieuwplaat.
Neeltje Jans, Noordzee, 4-6-2019. 

Ik was al een paar uur stenen aan het keren in het stroomgebied bij de getijdenpoel bij het Topshuis (fig. 3; klik hier voor een uitgebreide beschrijving van het gebied). Het was lekker weer en heerlijk stil en ik vermaakte mij prima met het fotograferen van de dieren die ik vond onder de rijk aan de onderzijde begroeide stenen. Anders dan ik gewoon ben, was ik pas rond de laagwater kentering bij het stroomgebied; doorgaans ben ik twee uur vóór de kentering ter plaatse. Die late start bleek nog minder een probleem dan ik dacht. Voordat het middelste deel van het stroomgebied weer vol begon te lopen vanuit zee (vanuit de getijdenpoel - aan de landzijde - blijft het continu lopen, vandaar 'stroom'gebied), waren vandaag drie uren verstreken. Alle tijd en rust dus om te zoeken en te fotograferen.


fig. 3. Stroomgebied van Neeltje Jans, 27-5-2016.

Echt iets bijzonders had ik nog niet gevonden, totdat ik op een paar meter afstand allerlei gespetter hoorde. Ik dacht nog even dat het kwam door het stromende water, maar het klonk toch anders. Toen  ik ging staan, zag ik veel beweging in het water en tot mijn verbazing zwom er een Geep rond (fig. 1 e.a.)!

Gepen komen naar de kust om daar te paaien en eieren af te zetten. Dit exemplaar was dan wel erg enthousiast en het leek mij niet zonder risico. Daarbij was het - zeker voor dit ondiepe en steenrijke gebied - een fors exemplaar (47 cm). Het dier had zijn lange bek zo te zien ook al een paar keer gestoten tegen de stenen, want die was een beetje beschadigd. Uiteraard wilde ik er graag foto's van maken en bij voorkeur ook onderwater.

fig. 4. Geep, Belone belone belone in de poel waar ik het dier fotografeerde. Neeltje Jans, Noordzee, 4-6-2019. 

Wat er kwam kijken bij de fotografie 
Ik was al aan het fotograferen met mijn Olympus TG-5, een erg handige camera voor bij het stenen keren (klik hier voor een bericht over de TG-5). Gelukkig had ik ook een WeeFine groothoeklens (tot 150º) meegenomen en het daarvoor benodigde onderwaterhuis. Misschien zou ik de Geep dan ook in zijn geheel onderwater kunnen fotograferen.

Het dier zo in het stroomgebied fotograferen was onmogelijk. Overdag zijn ze schuw en erg snel en zou ik hem nooit goed in beeld krijgen. Daarbij was de kans groot dat hij meteen rechtsomkeer zou maken. Ik zag een poeltje aan de rand van het stroomgebied, waar hij niet uit zou kunnen zwemmen, dat groot genoeg was en waar continu water doorheen stroomde (fig. 4). Dat laatste was belangrijk, omdat daardoor zwevende vuildeeltjes zouden worden afgevoerd. Ook waren de stenen aan de randen goed begroeid met zeewieren, zodat hij zijn snavel niet zou beschadigen. Mijn eerste poging hem te pakken mislukte. Gelukkig zwom hij een doodlopend deel van het stroomgebied in en kon ik hem alsnog in het poeltje zetten.

fig. 5. Geep, Belone belone belone. Neeltje Jans, Noordzee, 4-6-2019. 

Het werkte fantastisch. Hij zwom wel wat, maar hij had niet zoveel ruimte; hij kon zich nog net keren in de poel (fig. 4 & 5). Hij leek ook niet vreselijk bang. Anders was er het risico dat hij uit de poel zou springen en zich zou beschadigen. Het fotograferen was bepaald niet makkelijk, want het moest - net als vroeger met snorkelen - op gevoel en ervaring. Ik kon namelijk niet op het scherm kijken. Ik heb een hoekzoeker voor het onderwaterhuis, maar die had ik dus net niet bij mij.

Lastig is ook dat er water moet zitten tussen het onderwaterhuis en de groothoeklens. Door de ondiepte van de poel ging dat niet makkelijk, liep het water er uit en besloeg de tussenruimte tussen huis en lens meerdere malen. Al met al ben ik gezien de beperkingen erg tevreden met het resultaat!

Net toen ik klaar was met mijn fotowerk, stroomde het water vanuit zee de poel in en meteen draaide de Geep zich om richting zee, vond nu wel een uitgang en zwom weg.


fig. 6. Geep, Belone belone belone. Neeltje Jans, Noordzee, 4-6-2019.

Lengte
De Geep is, zoals je kunt zien, een bijzondere verschijning met die lange snavelvormige bek. De vis wordt maximaal 104 cm (Dulcic & Soldo, 2006) en gemiddeld 45 cm lang. Een exemplaar van 95 cm weegt rond de 1,3 kg. In het eerste jaar bereiken ze een lengte van maximaal 25 cm. In het tweede jaar worden ze geslachtsrijp en zijn dan zo'n 45 cm. Overigens, hoe hoger de temperatuur van het zeewater, hoe sneller de ontwikkeling en groei. Het exemplaar dat ik vond was dus minimaal twee jaar oud. Ze kunnen tot 18 jaar oud worden.

fig. 7. Opeens was de Geep uit beeld. Pas later zag ik dat een Strandkrab, Carcinus maenas er met de buit vandoor wilde gaan. 
Neeltje Jans, Noordzee, 4-6-2019. 

Jager en prooi
Gepen zijn zichtjagers en snelle zwemmers, die jagen op kleine(re) vissen, inktvissen en kreeftachtigen. Van de vissen waarop Gepen jagen, worden specifiek genoemd: Koornaarvis (Atherina species), Haring, Sprot, Ansjovis, Zandspiering, Stekelbaars en kabeljauwachtigen (Gadidae). Ze zoeken hun prooi voornamelijk overdag. Jager (2015): 'De bijzonder gespecialiseerde ogen zijn aangepast aan het jagen bij de hoge lichtintensiteit die heerst aan het wateroppervlak. Door de hoge dichtheid aan kegeltjes in het oog is het zicht zeer scherp. In het netvlies zijn twee afzonderlijke gedeelten, het ene aangepast aan de hoge lichtintensiteit in de zone boven de vis ('Snell's window'), en het andere aangepast aan de lage lichtintensiteit buiten dit venster. Het oog is bovendien erg lichtgevoelig, zodat zelfs ’s nachts door Gepen op zicht gejaagd kan worden.'


fig. 8. Geep, Belone belone belone. Neeltje Jans, Noordzee, 4-6-2019.

Voorkomen
Het is een pelagisch levende vis. Ze leven 's winters in scholen in open water, ten westen van Groot-Brittannië en trekken in maart-april - als de zee warmer wordt - de Noordzee in waar ze in ondiep water paaien. De hoofdpaaitijd is mei-juni, maar het kan doorlopen tot september. De meeste bronnen beschrijven Gepen als levend vlak onder het wateroppervlak. Louysi (2015) noteert tussen de 0 en 1 meter en maximaal 5 meter diep. Heessen et al., (2015) geven aan dat ze bij vangsten tot 600 m diep werden aangetroffen! Wel met een kanttekening: omdat het visnet meteen bij het wateroppervlak open wordt gezet en zo ook weer wordt opgehaald, kan het zijn dat de dieren op een geringere diepte in het net verzeild zijn geraakt. Die keren dat ik als duiker Gepen zag (daarover verderop meer), was dat ook nog geen halve meter diep.

Het schijnt een algemene soort te zijn. Ik sprak vorig jaar hengelaars die vertelden dat ze op de pier van Hoek van Holland regelmatig Gepen vangen. Ze zouden vrij talrijk zijn in de Oosterschelde. Nijssen (1987): 'In 1983 werd in de Zeeuwse wateren 1570 kg Geep gevangen.' In Jager (2015) kun je meer lezen over de visserij.


fig. 9. Gepen, Belone belone gracilis en hun weerspiegeling in het wateroppervlak. Playa Chica, Puerto del Carmen, Lanzarote, 3-3-2016.

Duikwaarnemingen
Door duikers worden ze in Nederland weinig gezien. Dat heeft mogelijk te maken met het feit dat ze direct onder het wateroppervlak leven; de meeste duikers gaan vrijwel meteen naar dieper water. Daarbij zijn het schuwe vissen, die moeilijk te benaderen zijn. Dan zijn het ook nog eens snelle zwemmers en is het Nederlandse duikwater doorgaans niet geweldig helder.

Wat betreft schuw en moeilijk te benaderen: dat mag overdag het geval zijn, 's avonds is dat - zoals ik twee keer heb ervaren - helemaal niet het geval. In maart 2016 maakte ik op Lanzarote, één van de Canarische Eilanden, een avondduik. Aan het einde van die duik - ik was nog net niet door mijn lucht heen en de accu's van mijn flitsers raakten duidelijk leeg - kwam ik een schooltje van zo'n 15 Gepen tegen. Die kwamen zelfs heel dichtbij tot op een tiental centimeters en lieten zich goed fotograferen! Zie figuren 9, 10 en 12.

In september datzelfde jaar kwam ik bij een avondduik in de Adriatische Zee bij Triëst een grote, dikke Geep tegen. Die zwom duidelijk op mijn navigatielicht af en ik moest hem wegduwen, omdat hij anders zijn bek en misschien mijn apparatuur zou beschadigen. Ook dat was aan het einde van mijn duik; ik kon er geen foto van maken omdat de accu's van mijn flitsers volledig leeg waren. Dus in het donker zijn ze goed te benaderen en komen ze zelfs op licht af. Dat laatste wordt bevestigd in Heessen et al. (2015). Zoals al gezegd zaten de Gepen beide keren nog geen halve meter onder het wateroppervlak.


fig. 10. Gepen, Belone belone gracilis. Playa Chica, Puerto del Carmen, Lanzarote, 3-3-2016.

Overigens wordt een drietal ondersoorten onderscheiden (Collette & Parrin, 1986). Het exemplaar dat ik bij Neeltje Jans heb gefotografeerd, is Belone belone belone. Die van Lanzarote behoren tot Belone belone gracilis.

fig. 11. Visnijntje, Caligus species op de kieuwplaat van de Geep. Helaas geen betere foto; beeld is sterk uitgesneden. 
Neeltje Jans, Noordzee, 4-6-2019. 

Visnijntje
Bij het bekijken van de foto's, zag ik parasitaire copepodes zitten, één op de kieuwplaat (fig. 11), twee op de borstvin en één op de anaalvin. Het gaat om een Caligus soort, een soort 'Visnijntje' (voorstel voor een Nederlandse naam van dit genus). Op de foto's zijn niet voldoende details te zien om de soort verder op naam te brengen en op Gepen kunnen meerdere soorten Caligus gevonden worden, onder andere Caligus belone. Je snapt meteen waarvan de soortnaam is afgeleid!


fig. 12. In Natura 10: kunstwerk gebaseerd op de gefotografeerde Gepen op Lanzarote.

Literatuur & weblinks
  • ANEMOON
  • Fishbase
  • Collette, B.B. & N.V. Parrin, 1986. Belonidae. Fishes of the North-eastern Atlantic and the Mediterranean. Volume II. p 60-609.
  • Dulcic, J. & A. Soldo, 2002. A new maximum length for the garpike, Belone belone (Belonidae). Cymbium, 30, p 382.
  • Heessen, H.J.L., N. Daan & J.R. Ellis, 2015. Fish atlas of the Celtic Sea, North Sea and Baltic Sea, p 252-254. ISBN 97889086862665.
  • Jager, Z., 2015. Factsheet Vissoorten - Geep Geïntegreerde Visserij. Klik hier voor de PDF.
  • Louisy, P., 2015. Europe and Mediterranean Marine Fish identification guide. ISBN 139782841388110.
  • Nijssen, H. & S.J. de Groot, 1987. De vissen van Nederland. ISBN 9050110061.

A garfish - Belone belone - in the tidal zone

 fig. 1. Garfish, Belone belone belone. Neeltje Jans, the Netherlands (North Sea), 4-6-2019. 
Klik hier voor een Nederlandstalige versie 

How often do you experience something like that? Once in your life? A big garfish, Belone belone, swimming upstream in a quite shallow 'rockstream'! I did at Neeltje Jans, the Netherlands (North Sea) on 4 June 2019.


 fig. 2. Garfish, Belone belone belone. Neeltje Jans, the Netherlands (North Sea), 4-6-2019. 

I was turning stones at ebb tide for a few hours, the weather was fine and I enjoyed the silence. I was taking pictures of animals I found on the rich undergrowth of the stones. Usually I start my field trips at ebb tide two hours before slack water. That gives me time to explore the rocks and rockpools just above the sublittoral zone, where you will find the more rare species. But Neeltje Jans is different: the most interesting part of the rockstream - a zone with interconnected rockpools - (fig. 3) is not situated at the lowest point. It took three hours before the tide came in, so I had all the time to explore and take photo's.


fig. 3. 'Rockstream' at Neeltje Jans, the Netherlands (North Sea), 27-5-2016.

I had not discovered something special, till I heard something splashing a few meters from where I was standing. At first I thought it was just the flowing water, but the sound was different. Then I saw a lot of movement in the water and to my surprise I saw a garfish swimming upstream (fig. 1 and others)!

Garfish migrate inshore in spring to spawn in shallow water during early summer. This one seemed over enthusiastic, because it was not without risk. It was a large specimen of 47 cm and the rockstream was quite shallow and rocky. It had already bumped its mouth; there was some damage at the front. Of course I would love to take photo's and preferably underwater.


 fig. 4. Garfish, Belone belone belone in the pool where I took the photo's. Neeltje Jans, the Netherlands (North Sea), 4-6-2019. 

What was involved in photography
I was already taking photo's with my Olympus TG-5, a very handy underwater compact camera (click here for an article about the TG-5). Fortunately I brought a WeeFine wide angle lens (to 150º) along and the underwater housing for the camera and lens. Maybe I could take photo's of the entire animal underwater!

Just taking photo's at the very spot was impossible. In daylight they are shy and fast, so getting a good look, making a composition and getting the auto focus at the right spot was not to be. And the chance it would turn around and disappear, was very probable. I saw a pool at the edge of the rockstream that was big enough, where it could not escape and with running water (fig. 4). Running water was desirable. Otherwise I would get a picture of a lot of debris instead of the garfish. Another advantage of the pool: the rocks were overgrown with seaweeds that would function as a buffer edge. I failed at my first attempt, but the garfish swam into a dead corner and I was able to put it in the pool.


 fig. 5. Garfish, Belone belone belone. Neeltje Jans, the Netherlands (North Sea), 4-6-2019. 

It worked out perfectly. The fish did swim, but the space was limited; it was just able to turn around in the pool (fig. 4 & 5). It did not seem to be very shy, otherwise there woud have been the risk of it jumping out of the pool and hurting itself. Taking photo's was not easy, because I could not see anything on the display (I have a kind of angle finder but I forgot to take it with me). So I had to take photo's in the blind and rely on my experience, just as I used to do in the past when snorkeling. The fact there has to be water between the wide angle lens and the underwater housing did not make it any easier. The pool was quite shallow, water got out and several times the space between lens and underwater housing fogged up.

All in all I am very satisfied with the results! Just as I had finished taking pictures, the pool flooded. The garfish turned around immediately, found the exit and swam away to deeper water.


 fig. 6. Garfish, Belone belone belone. Neeltje Jans, the Netherlands (North Sea), 4-6-2019. 

Length
Garfish are easily recognised by their long thin bodies and their long, needle like mouth. They can grow to a length of 104 cm (Dulcic & Soldo, 2006). Their average size is 45 cm. A garfish of 95 cm weighs about 1.3 kg. In their first year they become about 25 cm long. In their second year, when they become mature, they grow to a length of 45 cm. So the one I discovered was at least two years old. But it is not exact science: the higher the temperature of the seawater, the quicker they develop and grow. Garfish can live up to 18 years.


fig. 7. Suddenly the garfish moved out of sight. When I saw the photo's I realised that a Green crab, Carcinus maenas wanted the garfish for prey. Neeltje Jans, the Netherlands (North Sea), 4-6-2019. 

Hunters and prey
Garfish are sight hunters and fast swimmers. They hunt for prey like small(er) fish, cephalopods and arthropods. Of the fish the following are specifically mentioned: sand smelt (Atherina), herring (Clupea), sprat (Sprattus), sand eels (Ammodytes), stickleback (Gasterosteus), cod species and the like (Gadidae).

They mainly seek their prey during the day. Jager (2015): 'The highly specialized eyes are adapted to hunting at the high light intensity that prevails on the water surface. Due to the high density of cones in the eye, visibility is very sharp. In the retina, two separate sections, one adapted to the high light intensity in the area above the fish ('Snell's window'), and the other adapted to the low light intensity outside this window. Moreover, the eye is very light-sensitive, so that even at night, garfish can hunt for sight.'


fig. 8. Geep, Belone belone belone. Neeltje Jans, Noordzee, 4-6-2019.

Habitat
It is a pelagic fish. They live in open water shoals west of Great Britain in the winter and in March-April - when the sea gets warmer - head into the North Sea where they spawn in shallow water. The main spawning time is May-June, but it can continue until September. Most sources describe garfish as living just below the water surface. Louysi (2015) notes between 0 and 1 meter and a maximum of 5 meters deep. Heessen et al., (2015) indicate that they were found with catches up to 600 m deep! However, with a side note: because the fishing net is immediately opened at the surface of the water and thus brought again, it is possible that the animals have ended up in the net at a lesser depth. The times that I saw garfish as a diver (more on that later), it was not even half a meter deep.

It seems to be a general species. Last year I spoke to anglers who told me that they regularly catch garfish on the pier of Hoek van Holland. They are supposed to be quite numerous in the Oosterschelde. Nijssen (1987): 'In 1983, 1570 kg of garfish was caught in the Zeeland waters'. In Jager (2015) you can read more about the fishing on garfish.


fig. 9. Garfish, Belone belone gracilis and their reflection in the surface of the water. Playa Chica, Puerto del Carmen, Lanzarote, 3-3-2016.

Dive observations
They are rarely seen by divers. Possibly because they spend most of their time just beneath the surface; most divers descend straight away to deeper waters. Furthermore: they are quite shy at daylight, rapid swimmers and the Dutch diving waters are usually far form clear.

As regards to being shy: that may be the case during daylight, at dark they are - as I have discovered twice - easy to approach. In March 2016 I made a dive at dark at Lanzarote, one of the Canary Islands. At the end of my dive - I ran almost out of air and the power of my flash units was almost drained - I ran into a shoal of about 15 garfish. They came to me as close as ten centimeter and it was quite easy to take photo's. See figures 9, 10 and 12.

In September the same year I ran - also after dark - into a big, fat garfish at Trieste (Italy) at the Adriatic Sea. That one swam directly to my navigating light and I had to push it away or it could have damaged its mouth or my gear. That was also at the end of my dive; no more power in my flash units, hence no photo. Heessen et al. (2015) confirm my observation that they are are attracted by lights. As said, both encounters were not deeper than half a meter beneath the surface.


fig. 10. Garfish, Belone belone gracilis. Playa Chica, Puerto del Carmen, Lanzarote, 3-3-2016.

By the way: a triple of subspecies are distinguished (Collette & Parrin, 1986). The one I saw at Neeltje Jans is Belone belone belone. The garfish of Lanzarote (fig. 9, 10 & 12) and Trieste belong to Belone belone gracilis.


fig. 11. A parasitic copepod, Caligus species on the gill cover of the garfish. This - largely cropped - photo is the best I got. Neeltje Jans, Noordzee, 4-6-2019. 

Parasites
When I was looking at the photos, I saw a few parasitic copepodes, one at the gill cover, two at the pectoral fin and one on the anal fin. It is a Caligus species (fig. 11). The photo's are not detailed enough to find out what species. Garfish can be infected by several Caligus species, one with the scientific name Caligus belone; it is not hard to imagine where the name of this species derives from!


fig. 12. In Natura 10: artwork based on the garfish photographed at Lanzarote.

Literature & weblinks
  • ANEMOON
  • Fishbase
  • Collette, B.B. & N.V. Parrin, 1986. Belonidae. Fishes of the North-eastern Atlantic and the Mediterranean. Volume II. p 60-609.
  • Dulcic, J. & A. Soldo, 2002. A new maximum length for the garpike, Belone belone (Belonidae). Cymbium, 30, p 382.
  • Heessen, H.J.L., N. Daan & J.R. Ellis, 2015. Fish atlas of the Celtic Sea, North Sea and Baltic Sea, p 252-254. ISBN 97889086862665.
  • Jager, Z., 2015. Factsheet Vissoorten - Geep Geïntegreerde Visserij. Click here of a PDF (in Dutch).
  • Louisy, P., 2015. Europe and Mediterranean Marine Fish identification guide. ISBN 139782841388110.
  • Nijssen, H. & S.J. de Groot, 1987. De vissen van Nederland. ISBN 9050110061.