29 August 2022

Op zoek naar de Raketmeduse, Cladonema radiatum in Nederland

fig. 1. Zijaanzicht Raketmeduse, Cladonema radiatum.


Dit blogbericht had ik als titel willen geven: ‘De Raketmeduse, Cladonema radiatum Dujardin, 1843 nieuw voor Nederland.’ Hoewel niet is uit te sluiten dat er in Nederlands kustwater Raketmeduses zijn voor(t)gekomen, is dat niet met 100% zekerheid vast te stellen. 

Met dit blogbericht als artikel in Het Zeepaard (82-3) en een artikel van Robert Brons over deze soort in hetzelfde nummer, is het een oproep om naar deze bijzondere hydromeduses uit te kijken. Vooruitlopend op een vondst in Nederland ben ik meteen zo vrij geweest om een Nederlandse naam te geven: de Raketmeduse. 


Vondsten en soort

Begin november 2020 zag ik in één van mijn aquaria een tiental roodbruine ‘strengetjes’ van een paar millimeter die schokvormige bewegingen maakten. Toen ik er een vergrootglas bij haalde - de diertjes waren tussen de 0,5 en 2,5 mm hoog (althans het klokje) - bleken het heel fraaie hydromeduses te zijn (fig. 1 en 2). 

 

Toen ik ze op naam wilde brengen en daarvoor ‘Overzicht van de Nederlandse Leptolida’ van Vervoort & Faasse (2009) uit de boekenkast trok, bleken daarin meer dan 50 soorten hydropoliepen beschreven die in hun leven een medusestadium kennen. Dat leek me dus zoeken naar een naald in een hooiberg, maar dat bleek mee te vallen. Cladonema radiatum heeft opmerkelijke knotsjes aan zijn vertakte tentakels zitten, in het boek omschreven als bolvormige netelconcentraties. Toen ik vervolgens de beschrijving las en ging googlen naar foto’s, leek mij de soort onmiskenbaar. Marco Faasse bevestigde de determinatie per email. 

 

fig. 2. Bovenaanzicht.


In het boek wordt gemeld dat de soort nog niet in Nederland is gevonden, maar "in ons kustplankton is te verwachten". De wens wordt al snel de vader van de gedachte en ik dacht de eerste exemplaren uit Nederlands kustwater te hebben gevonden. Ik vond ze namelijk direct nadat ik vers zeewater voor mijn aquarium had gehaald bij Neeltje Jans. Maar hoe meer ik er over las, hoe groter de twijfel. Eén van de belangrijkste tegenargumenten was dat de hydromeduses doodgaan bij een temperatuur lager dan 14 ºC; het zeewater bij Neeltje Jans was toen 12 ºC. Daarbij vond ik zo’n 10 exemplaren in dat aquarium van nog geen 7 liter en dat was wel erg veel voor het toeval. Een ander tegenargument is dat dit dier op heel veel plaatsen in de wereld opduikt… in aquaria! Dan is niet altijd duidelijk waar de diertjes vandaan komen. Vaak blijken ze meegelift met geïmporteerd koraal en ‘levend steen’ en komen ze in de omringende zee van dat land niet voor. 

 

Ook Marco Faasse liet weten ze lang geleden in zijn aquarium te hebben gehad. De herkomst was niet duidelijk, maar hij vermoedde dat ze waren meegekomen met wat materiaal uit de Middellandse Zee. Juist in mijn meduse-aquarium had ik zeewieren als het groenwier Caulerpa racemosa en wat zeeanemoontjes op Groot zeegras, Zostera marina van de Franse Middellandse Zeekust ondergebracht, die ik juni dat jaar had verzameld. Dat was teveel toeval.

 

Van Thom van Riet kreeg ik juni 2021 een foto gemaild met het bericht dat hij een twaalftal vreemde kwalletjes in de filterbak van zijn aquarium zag. Ik herkende ze meteen: dezelfde prachtige hydromeduses van Cladonema radiatum.Zouden dat dan toch de eerste exemplaren zijn uit Nederlands water? Al het zeeleven en zeewater dat hij voor zijn aquarium verzameld, komt uit Zeeuwse wateren. Nou ja, bijna al het zeeleven: ik heb hem in maart 2021 wat Kussensterretjes, Asterina gibbosa gegeven… Kon dat dan toch de bron van ‘besmetting’ zijn? Er zat wat water bij, maar dat oogde schoon en daarbij was er geen uitwisseling van water van het kleine meduse-aquarium met het (hoofd)aquarium waar de Kussensterretjes vandaan kwamen. Ook was zijn aquariumtemperatuur toen voor een langere periode 10 tot 12 ºC. Dat zou dodelijk moeten zijn voor Cladonema. Dus toch de eerste Nederlandse vondst?

 

Robert Brons, die jarenlange ervaring heeft met het kweken van zeedieren, gaf een duidelijke reactie op mijn concept tekst: hij was niet overtuigd van de Nederlandse herkomst. Hij zou dat pas zijn als het aquarium en alles daaromheen grondig gesteriliseerd zou zijn, laat staan dat er ‘vreemd’ materiaal in terecht is gekomen als de Kussensterretjes. Robert: “Cladonema komt zeer, zeer algemeen voor in Nederlandse zeeaquaria en dat is al minstens 40 jaar zo. Vanuit mijn aquacultuur-verleden weet ik dat Cladonema zich ondanks UV-sterilisatie, handen en netten ontsmetten, toch verbazingwekkend gemakkelijk van het ene naar het andere systeem weet te verspreiden. Ongetwijfeld door menselijke foutjes, maar nooit was iemand zich daarvan bewust. Dit dier is een ongelooflijke overlevings- en verspreidingskunstenaar.” Op basis daarvan durf ik uiteindelijk niet te stellen dat Thom’s exemplaren met zekerheid uit Nederlandse wateren komen. Opnieuw jammer, maar het is meteen een goede aanleiding om naar deze hydromeduses uit te kijken. Daarover later meer. 

 

Het gaat dus om de hydropoliep Cladonema radiatum Dujardin, 1843. Het dier valt onder de stam Cnidaria, waartoe ook kwallen, zeeanemonen en koralen behoren en vervolgens onder de klasse Hydrozoa. Omdat het verspreidingsgebied van dit kleine, wat verborgen dier erg groot is, vraagt Schuchert (2006) zich af of het niet om een complex van soorten gaat. Zoals zo vaak volgt dan de opmerking dat er nader onderzoek gedaan moet worden. 


fig. 3. Detail met ocelli.

Verschijning

In Vervoort & Faasse (2009) wordt de volgende beschrijving gegeven van de meduse: "Meduse klokvormig, tot 3 mm hoog en iets smaller. Met 8-10 vertakte tentakels; onderste vertakkingen kort en met hechtschijfje, bovenste langer met bolvormige netelconcentraties. Tentakels aan basis verdikt en met bruine ocel (redactie: oog, lichtgevoelige cellen; fig. 3). Scherm aan buitenzijde met verspreide netelcellen. Manubrium (redactie: het orgaan dat de maagholte bevat en eindigt in een mond; fig. 4) sigaarvormig, mondopening omgeven door 5-7 lobachtige tentakels. Gonaden (redactie: voortplantingsorganen) langs bovenste tweederde van het manubrium." Ik heb overigens geen enkel exemplaar gezien met een sigaarvormig manubrium. Het doet me eerder aan een knotsvorm denken. Het dier kan het orgaan sterk samentrekken en heen en weer bewegen (fig. 5).


fig. 4. Detail met manubrium.

 

Ben je het Engels machtig, dan vind je in Bouillon et al. (2004) een determinatiesleutel en daarnaast veel informatie over Hydrozoa in het algemeen (zeer lezenswaardig!). In Schuchert (2006) vind je de meest uitgebreide beschrijving van deze soort. Overigens zijn alle drie genoemde publicaties als PDF op te halen (zie Literatuur). 

 

Poliep en meduse

Veel hydropoliepen zoals Cladonema radiatum kennen zowel een vastzittend poliepstadium als een vrijzwemmend medusestadium. Die dieren lijken in die verschillende stadia helemaal niet op elkaar en werden in het verleden vaak als aparte soorten beschreven. De naam hydropoliep (ook wel hydroïdpoliep) is verwarrend, omdat je dan eigenlijk alleen de poliep benoemd, niet de meduse. En dat terwijl die meduse soms juist zo opvallend is. 


Die verwarring zie je ook terug in de (soms verouderde) Nederlandse naamgeving van diverse soorten Hydrozoa, zoals bijvoorbeeld Clytia hemisphaerica. Dat dier heet als poliep Getand zeemos en als meduse Kleine of Getande klokpoliep! Voorzover ik weet, is het ook de enige klasse van zeedieren waarbij die duidelijk verschillende ontwikkelingsstadia een aparte Nederlandse soortnaam hebben gekregen. Bij een aantal soorten hydropoliepen is het medusestadium leidend in de naamgeving (zij het vreemd genoeg niet met het woord meduse): Lampenkapje, Parasolletje, Japanse kruiskwal, Klepelklokje en zo meer. Kijkend naar die soorten lijkt de opvallende vorm en de grootte van die meduses en de frequentie waarin het dier in dat stadium wordt aangetroffen, bepalend geweest voor de naamkeuze. Dat lijkt mij ook voor de Nederlandse naamgeving van Cladonema radiatum van toepassing.


fig. 5. Detail met samengetrokken manubrium. 
Aan de onderzijde is het velum met daarin een opening zichtbaar.

 

Nederlandse naam

Omdat veel mensen een Nederlandse naam beter onthouden, ben ik meteen op zoek gegaan naar (mogelijke) Engelse namen als referentie. Op internet kwam ik de volgende namen tegen: ‘root-arm medusa’, ‘aquarium medusa’ en ‘rocket jelly’. Het zijn allemaal toepasselijke namen. Root-arm medusa (Fenwick, website Aphotomarine), vrij vertaald wortelstelsel meduse, slaat duidelijk terug op de vorm van de gespreide tentakels, zoals je die ziet op fig. 1 en 2. Aquarium medusa (Bay-Nouailhat, 2006; Cole, 2017) zegt iets over de zeer frequente aquariumwaarnemingen van Cladonema en dat is natuurlijk wel een heel bijzondere ‘eigenschap’. De vraag is of dat specifiek genoeg is: google eens op het woord aquarium medusa en je ziet allerlei kwallen in aquaria voorbijkomen, niet Cladonema. Rocket jelly kom ik één keer tegen (Buttivant, 2020). Die naam vertaald als Raketmeduse spreekt mij het meest aan. Het dier valt namelijk vooral op door de snelle, schokkerige sprongetjes die het maakt; het oogt en beweegt als een raketje. Zie bijgaand filmpje. Gaan we ooit ook het poliepstadium vinden, dan kunnen we daar Raketpoliep van maken. 

 


Formaat

Waar Vervoort & Faasse (2009) schrijven "tot 3 mm hoog en iets smaller", noemt Bay-Nouailhat (2006) een diameter van maar liefst 6 mm. Dat is dus fors groter. Die van mij waren zoals al aangegeven 0,5 tot 2,5 mm hoog. Voor alle duidelijkheid: het gaat om de hoogte of diameter van het klokje, dus zonder de tentakels. Bedenk daarbij dat het dier (meer dan 95% water!) zich makkelijk groter en kleiner en anders van vorm kan maken (fig. 6) door water in en uit zijn lijf te pompen.


fig. 6 De Raketmeduse in een andere vorm.

Kleur

Schuchtert (2006): "De kleur van het manubrium en de tentakels is rood, helderrood of bruin; ocelli zwart of diep karmozijn". Niet vermeld is: de rest van het dier is doorzichtig en kleurloos. Ik zie vooral oranje als kleur, maar het valt mij - niet voor het eerst - op dat de zwarte of witte achtergrond waarop ik dieren vaak fotografeer en de (grote) hoeveelheid licht die ik op of door het dier laat vallen, voor een andere kleurweergave zorgen. Alleen het exemplaar tegen de lichte achtergrond (fig. 7) en op de zeeanemoon (fig. 8) zijn duidelijk rood. Hoewel het in de foto’s deels om verschillende exemplaren ging, oogden zij op het oog met hetzelfde licht identiek van kleur. De ‘kleurervaring’ die je zult hebben met dieren in een natuurlijke omgeving zal dus door een andere achtergrond (zeegras, bruinwieren, vrijzwemmend in het water) en verschillend licht (zonlicht, duiklamp) ook sterk verschillen. Je kunt overigens meer kleuren ontdekken (fig. 1, 3 en 9); die worden veroorzaakt door een andere invalshoek van het licht.

fig. 7. Meduse gefotografeerd voor een lichte achtergrond.


Voortbeweging 

Zoals al gezegd beweegt de meduse zich voort met snelle, schokkerige sprongetjes. Heel anders dan de gracieuze, rustig golvende bewegingen van kwallen of bijvoorbeeld van het meer verwante Lampenkapje. Door het hard samentrekken van het klokje (fig. 6) en verkleining van de opening van het velum (een membraan dat het klokje afsluit, fig. 5), wordt door die opening met grote kracht water geperst, zoals bij een straalmotor, waardoor het dier wegschiet. Dan hangt het even vrij in het water, schiet weer verder weg of zakt langzaam naar de bodem. Landt hij op zijn zijkant op de bodem, dan blijft hij vaak even liggen om zich vervolgens op te richten met zijn tentakels vastgehecht aan de ondergrond. Grote afstanden legt het dier niet af; in stromend water is hij niet in staat tegen de stroming in te zwemmen. Hoewel Bouillon et al. (2004) schrijven dat hij door middel van zijn tentakels over de bodem kan lopen, zegt o.a. Schuchert (2006) juist dat hij dat niet kan en dat de tentakels alleen gebruikt worden om zich aan de bodem vast te zetten. Ik kan mij ook niet herinneren dat ik ze ermee heb zien lopen. Zoals op de foto’s goed is te zien, kan de Raketmeduse zijn tentakels ver uitstrekken en intrekken; ver uitgestrekt op de bodem is het dier stevig verankerd. 

 

Voedsel

Bouillon et al. (2004) noemen schaaldieren, vislarven en andere planktonische en epibentische organismen als voedsel van Hydrozoa. Sommige soorten kunnen zich voeden met bacteriën, protozoën, fytoplankton en zelfs opgelost organisch materiaal; andere soorten herbergen symbiotische intracellulaire algen waaruit ze bepaalde voedingsstoffen kunnen fixeren. Hij en andere auteurs noemen geen specifiek voedsel voor de Raketmeduse. 

Voortplanting

Zoals al gezegd heeft Cladonema radiatum zowel een vrijzwemmend medusestadium als een vastzittend poliepstadium. Hoewel er in het meduse-aquarium een draderige structuur op het glas van het aquarium ontwikkelde, waaruit zich een aantal poliepen vormden, bleek dat niet van deze soort te zijn. Ik heb ze dus nog niet gezien en verwacht ze ook na twee jaar niet meer. Voor verdere informatie over de voortplanting verwijs ik graag naar het artikel met prachtige foto’s van Robert Brons in Het Zeepaard (82-3). Op het houden in een aquarium kom ik nog terug.   

 

Verspreiding

Cladonema radiatum is een cosmopoliet, maar komt oorspronkelijk uit Europa. Op de website van het Smithsonian Environmental Research Center (klik hier) is een kaart opgenomen waar het dier voorkomt. Dat het dier zich steeds verder verspreid - al of niet via de zeedierenhandel - blijkt bijvoorbeeld uit een recente publicatie van de waarneming in Pakistan (Ghory, 2020). Aangetroffen in een aquarium gevuld met zeewater uit het getijdengebied daar. Of daar geen sprake is van onbedoelde introductie met buitenlands materiaal, kan ik niet beoordelen. 

 

Habitat

Het dier vestigt zich gewoonlijk op zeewieren en zeegrassen (zoals Neptunusgras, Posidonia oceanica of Groot zeegras, Zostera marina), maar ook op hard substraat. De soort wordt – althans in Europa – gevonden van juni tot oktober. Hij kan tijdens warme periodes zeer algemeen zijn. Ook wordt genoemd dat het dier tintelingen kan veroorzaken bij zwemmers. Als het om dezelfde dieren gaat die mij en mijn vrouw belaagden in de zee bij Biarritz in 1989, dan is tintelingen eufemistisch uitgedrukt: na een minuut of vijf in zee hadden we genoeg van de tamelijk pijnlijke steken (gevoel vergelijkbaar met de steek van een daas) van een onzichtbaar dier. Ze zijn mogelijk ook 'netelig' genoeg om niet door een veel grotere zeeanemoon te worden verzwolgen. Ik zag in mijn aquarium een Raketmeduse in aanvaring komen met Telmatactis forskalii (fig. 8). De zeeanemoon bracht de meduse met twee tentakels naar zijn mond, maar duwde hem een paar seconden later weg, waarna de meduse nog 18 minuten bleef plakken. De meduse had bij de aanraking direct zijn tentakels samengetrokken onder de klok. Uiteindelijk sloot de zeeanemoon zich en bleef de meduse nog lange tijd aan de buitenkant hangen. 


fig. 8. Meduse in de tentakels van Telmatactis forskalii.

 

Aquarium

Cladonema radiatum blijkt het in warmwater aquaria zo goed te doen, dat hij veel gebruikt wordt als laboratoriumdier voor ontwikkelings- en moleculaire studies. In veel privé aquaria wordt het dier als een pest gezien. In Schuchert (2006) is vermeld dat een kolonie van dit dier meer dan 30 jaar leefde in een aquarium in Berlijn. Bouillon et al. (2004) schrijven dat de levensduur van hydromeduses ligt tussen een paar uur en een maand. Ik heb van de oorspronkelijke pakweg tien meduses één individu twee en één bijna drie maanden in leven gehouden (beide exemplaren heb ik apart gehouden in een plastic emmertje). Dat is dus beduidend langer dan de maand van Bouillon et al. (2004). Thom liet weten dat hij de meduses ongeveer tot oktober is blijven zien, maar dat hoeven niet steeds dezelfde exemplaren te zijn geweest.

 

Ik voerde ze met Coralific Delite, kleine korreltjes aquariumvoer voor koralen en zeeanemonen die je in water doet en met een pipet geeft. Bij de meduses kon ik het roodgekleurde voer in de maag zien zitten. Na twee maanden ben ik ze dagelijks Artemia larfjes gaan geven. Zowel het aquarium als het emmertje werden belucht; het emmertje heel licht om de kwetsbare dieren niet te beschadigen. Het aquarium werd sterker belucht, omdat daar ook wat andere dieren in zaten. Vaak zag ik ze bovenin het aquarium aan het glas ‘geplakt’ zitten. Ze konden zich zonodig tegen de stroming beschermen door zich te nestelen tussen het Caulerpa racemosa. Zette ik de luchtpomp uit om ze wat te voeren, dan zag ik ze vaak tussen het groenwier vandaan komen. Eens per twee dagen verving ik een kwart van het water in het emmertje. In het aquarium verving ik pakweg 1 liter per 2 weken.

 

Op zoek langs de Nederlandse kust

Zie je de meduse in een aquarium al makkelijk over het hoofd, in natura wordt dat nog wat lastiger. Toch hoop ik dat je, met de foto’s van het dier in het achterhoofd en je bedenkend dat het klokje niet veel hoger is dan 3 mm, eens dit prachtige en interessante dier al stenen kerend of duikend tegen zult komen. Dat dat mogelijk is blijkt uit een leuke reportage op Cornish Rock Pools (Buttivant, 2021, klik hier). Zoals Robert Brons schreef: "dan pas ben ik echt overtuigd dat het om een Nederlands exemplaar gaat!"

 

Dank

Ik dank Thom van Riet voor het delen van zijn bijzondere vondst. Marco Faasse dank ik voor de bevestiging van de soort, aanvullende informatie en het nalezen van dit blogbericht/artikel. Robert Brons bedank ik voor het nalezen, het voorkomen van de conclusie dat de soort in Nederlandse wateren is gevonden en vooral omdat zijn magnifieke fotografie - die hij al in een ver verleden presenteerde bij een lezing voor de Strandwerkgemeenschap - een belangrijke inspiratiebron is geworden voor mijn ‘in vitro fotografie’.

 

Alle foto's (in vitro): Mick Otten.


fig. 9. Een andere invalshoek van het licht veroorzaakt andere kleuren.

Literatuur 

  • Bouillon, J., M.D. Medel, F. Pagès, J.M. Gili, F. Boero & C. Gravili, 2004. Fauna of the Mediterranean Hydrozoa. Scientia Marina 68: 5-438. Klik hier voor PDF.
  • Cole, T.C.H., 2017. Wörterbuch der Wirbellosen / Dictionary of Invertebrates. Latein-Deutsch-English. Springer Spektrum, Berlin. 
  • Ghory, F.S., Q.M. Ali & Q. Ahmed, 2020. First record of Cladonema radiatum Dujardin, 1843 (Hydrozoa: Cladonematidae) from northern Arabian Sea, Pakistan. International Journal of Fisheries and Aquatic Research 5(3): 14-16. Klik hier voor PDF.
  • Schuchert, P., 2006. The European athecate hydroids and their medusae (Hydrozoa: Cnidaria): Capitata Part 1. Revue Suisse de Zoologie 113(2): 325-410. Klik hier voor PDF.
  • Vervoort, W. & M.A. Faasse, 2009. Overzicht van de Nederlandse Leptolida (= Hydroida) (Cnidaria: Hydrozoa). Nederlandse Faunistische Mededelingen 32: 1-207. Klik hier voor PDF. 

Websites

20 February 2020

Siamese zeeanemonen, ongeslachtelijke voortplanting en ouwe koek

fig. 1  Siamese tweeling van de Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans var. nivea*. 
Zeelandbrug, Oosterschelde, 19-9-2019 (in vitro 5-10-2019).

Het begint een beetje als een sprookje. Lang geleden -  februari 1978 - werd er in mijn aquarium een Zeeanjelier, Metridium dianthus, geboren met een opvallende vorm: binnen een gedeelde voet zag je twee individuele zuilen met daarop de van zeeanemonen bekende tentakelkrans. Het ‘ouderdier’ - afkomstig van de pontons van de haven van Burghsluis - had zich voortgeplant door zich te verplaatsen en daarbij stukjes van zijn voet, het orgaan waarmee het dier zich vasthecht aan de ondergrond, achter te laten. De standaardmethode van voortplanting bij Zeeanjelieren. Uit zo’n afgebroken stukje voet ontwikkelt het dier een zuil, mond, tentakels en alles waaruit een anemoon verder bestaat. Maar hier was dus iets minder standaard verlopen. Twee individuen deelden dezelfde voet: een Siamese tweeling.

fig. 2  Siamese tweeling Zeeanjelier, Metridium dianthus. Zeelandbrug, Oosterschelde, 21-2-2018.

Op 21 februari 2018 zag ik duikend bij de Zeelandbrug zo’n zelfde Siamese Zeeanjelier (fig. 2) staan. De foto die ik daarvan maakte, deelde ik op de Facebookpagina van Stichting ANEMOON. Stefan Verheyen plaatste op 20 augustus 2019 bij mijn bericht een foto van een Siamese Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans (fig. 3). Die soort had ik nog nooit als tweeling gezien. Vervolgens ontstond er op Facebook discussie of het ging om een Siamese tweeling of dat de in het bericht getoonde zeeanemonen zich gingen delen. Ik was er van overtuigd dat het daadwerkelijk om Siamese tweelingen zou gaan en dat de anemonen zich niet (alsnog) zouden delen.

fig. 3  Siamese tweeling Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans var. miniata. 
Putti’s Place, Oosterschelde, 20-8-2019. © Stefan Verheyen.

Voortplanting
Om de discussie te begrijpen eerst wat over de voortplanting van zeeanemonen. Zeeanemonen kunnen zich geslachtelijk en ongeslachtelijk voortplanten. Geslachtelijke voortplanting vindt plaats via ei- en zaadcellen waaruit zich een larve ontwikkelt. Die zet zich vast op de ondergrond en groeit uit tot een volwassen zeeanemoon. Bij zeeanemonen kan dat ook levendbarend, dus via inwendige ontwikkeling. Als nagenoeg complete anemoontjes verlaten ze via de mondopening het ouderdier. Een voorbeeld van een anemoon die zich levendbarend voortplant is de Edelsteenanemoon, Aulactinia verrucosa (fig. 4 & 5), een soort die in Nederland alleen bekend is van aanspoelsel (Den Hartog, 1962).

fig. 4  Edelsteenanemoon, Aulactinia verrucosa, met middenboven een levendgebaard exemplaar. 
Trebeurden, Frankrijk (oorsprong ouderdier), 24-8-1990 (in vitro 19-11-2017).

fig. 5  Juveniele Edelsteenanemonen, Aulactinia verrucosa met een nog beperkt aantal tentakels. 
Trebeurden, Frankrijk (oorsprong ouderdier), 24-8-1990 (in vitro 16-11-2017).

De ongeslachtelijke voortplanting is eigenlijk veel interessanter bij zeeanemonen. Afhankelijk van de soort (‘spoiler alert’: ik neem even een voorschot op de conclusie van de discussie) gebeurt dat door deling of door het afscheuren van een stukje van de voet.

fig. 6  Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans laat zijn voet weglopen. Burghsluis, Oosterschelde, 14-9-2019.

Afscheuren van de voet
Het afscheuren van de voet beschreef ik al bij de Zeeanjelier. Die schuift dus een stukje van zijn plaats, laat vervolgens een aantal kleine stukjes weefsel achter en die ontwikkelen zich tot volledige zeeanemonen. Afgezien van de Zeeanjelier bedienen in Nederland ook de Sierlijke slibanemoon (fig. 6) en de Golfbrekeranemoon, Diadumene cincta zich van deze methode. De Sierlijke slibanemoon doet het wel in een andere vorm: de anemoon laat een deel van zijn voet weglopen. Die uitstulping rekt zo ver op dat er stukjes afscheuren, waaruit jonge anemoontjes ontstaan.

Overlangse deling
Overlangse deling is een spektakel: het dier trekt zich letterlijk in tweeën. Het laat het linker- en rechterdeel van zijn lichaam van elkaar wegschuiven en scheurt uiteindelijk finaal door midden (fig. 7). Het hoeft niet altijd precies door midden te zijn, maar beide helften nemen in ieder geval een stuk voet, zuil, mondopening en een aantal tentakels mee. Het is een kwestie van klonen; er is feitelijk ook geen juveniel exemplaar, want ze zijn beide het ouderdier.

fig. 7  Wasroos, Anemonia viridis van onderen gezien, die zich aan het delen is. 
Yerseke, Oosterschelde, 25-11-2014 (in vitro 22-2-2015).

Er zijn in Nederland drie soorten die zich zo voortplanten: de Groene golfbrekeranemoon, Diadumene luciae (fig. 8 & 12), het Margrietje, Actinothoe sphyrodeta en de Wasroos, Anemonia viridis (fig. 7). De eerste is redelijk algemeen (plaatselijk zeer algemeen); de andere twee zijn erg zeldzaam.

fig. 8  Groene golfbrekeranemonen, Diadumene luciae. Links een exemplaar met een paar v-vormige 'dubbel'-tentakels, 
waarschijnlijk als gevolg van een 'fout' bij de deling. Strijenham, Oosterschelde, 17-8-2011.

Door de deling ontstaat een extreem grote wond die de dieren moeten helen. De zeeanemonen die zich zo voortplanten, hebben een verbluffend regeneratievermogen. Een voorbeeld. In mijn aquarium heb ik anemoontjes uit Nieuw-Zeeland: de Witgestreepte anemoon, Anthothoe albocincta (verwant aan 'onze' Margrietjes). Die delen zich zeer frequent in mijn aquarium. Van één zo’n anemoontje heb ik in mijn aantekeningen genoteerd dat die zich ’s ochtends om 8:00 uur ging splitsen en dat ik de twee dieren als experiment om 20:00 uur een klein stukje mossel gaf, dat ze al naar binnen konden werken als voedsel. Dat is ronduit ongelooflijk met zo’n extreme verwonding! Op fig. 9 zie je zo'n Witgestreept anemoontje dat zich aan het delen is en op fig. 10, nog geen dag later, twee keurig geheelde anemoontjes. Zeesterren worden vaak aangehaald als het voorbeeld van regeneratievermogen, maar dat zijn eigenlijk maar amateurs: zeeanemonen zijn de echte top.

fig. 9  Witgestreepte anemoon, Anthothoe albocincta tijdens deling. Nugget Point, Nieuw-Zeeland, 7-2-2005 (in vitro).

fig. 10  Witgestreepte anemoon, Anthothoe albocincta na deling. Nugget Point, Nieuw-Zeeland, 7-2-2005 (in vitro).

Is het je overigens ooit opgevallen dat Zeeanjelieren, Sierlijke slibanemonen (fig. 11), Golfbrekeranemonen en Groene golfbrekeranemonen (fig. 12) vaak in dichte groepen te vinden zijn? De verklaring ligt voor de hand: veel dieren zijn gedeeld of afgescheurd en respectievelijk niet ver weg van elkaar of van het ouderdier gewandeld.

fig. 11  Groep Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans var. miniata. De juveniele dieren zijn vrijwel zeker afkomstig 
van één of meer van de omringende volwassen exemplaren. Burghsluis, Oosterschelde, 14-9-2019.

fig. 12  Groene golfbrekeranemonen, Diadumene luciae zijn door hun kleine formaat makkelijk over het hoofd te zien, maar 
vallen toch op omdat ze vaak in groepen bij elkaar staan. Zoetersbout, Oosterschelde, 19-7-2016.

Siamees of niet
Los van de discussie vond ik het een intrigerend en visueel mooi fenomeen. Komt het vaak voor? Is er in de literatuur iets over te vinden? Hoe zit het precies met de voortplanting waardoor deze afwijkingen kunnen ontstaan?

fig. 13  Siamese Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans var. nivea*. Zeelandbrug, Oosterschelde, 19-9-2019.

En toen vond ik op 19-9-2019 - hoe toevallig kan het zijn - een prachtige Siamese Sierlijke slibanemoon bij een duik op de tweede pijler van de Zeelandbrug. Waar Stefan Verheyen de bruine variëteit miniata had gefotografeerd, vond ik de witte variëteit nivea. Die heb ik gefotografeerd, zowel uitstaand (fig. 13) als met ingetrokken tentakels (fig. 14) en daarna meegenomen** en thuis gefotografeerd (fig. 1, 15, 19, 20-24). Het werd tijd voor onderzoek en het schrijven van een artikel!

fig. 14  Siamese Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans var. nivea* met ingetrokken tentakels. Zeelandbrug, Oosterschelde, 19-9-2019.

fig. 15  Siamese Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans var. nivea* met ingetrokken tentakels. 
Zeelandbrug, Oosterschelde, 19-9-2019 (in vitro 5-10-2019).

Op zoek naar antwoorden 
In de literatuur die ik voor handen had, kon ik over Siamezen amper iets vinden. In Wood (2005, p19) vond ik een foto van een Siamese Diepwaterdahlia, Urticina eques met de tekst “Dahlia anemone in the process of longitudinal fission” (= Dahlia die zich overlangs gaat delen). Ik geloofde daar niets van. Die Diepwaterdahlia ging niet splitsen, want gebaseerd op jarenlange veld- en aquariumwaarnemingen wist ik - nog voor ik literatuur had geraadpleegd - dat Urticina’s zich niet voortplanten op die manier.

Verder zoeken dus. Op internet kwam ik bij Duikeninbeeld twee foto’s tegen van Zeedahlia’s, Urticina felina die Ad Aleman had gefotografeerd bij de Blokkendam (fig. 16 en 17), samen met zijn vraag of zoiets als een Siamese tweeling bestaat bij deze soort. Bestaan doet het zeker gezien de foto in het al aangehaalde boekwerk van Wood. Maar bij Ad’s foto’s is er twijfel, want zeeanemonen zijn nogal vormvariabel en deze Zeedahlia’s kunnen zich ook sterk hebben ingesnoerd, zoals Ad zelf ook al stelt. Helaas heeft hij geen foto’s kunnen maken waarop het mondveld goed zichtbaar is. Dat had zeker uitsluitsel kunnen geven, want dan zouden er twee mondopeningen zichtbaar moeten zijn. Later kreeg ik van hem nog zo'n intrigerende foto van een mogelijke Siamese Gewone slibanemoon, Sagartia troglodytes (fig. 18). Ook daarvan is het jammer genoeg niet met zekerheid vast te stellen of het om een Siamese tweeling gaat. Overigens doet ook de Gewone slibanemoon niet aan ongeslachtelijke voortplanting.

Het kwam er eigenlijk op neer dat ik antwoord moest vinden op de vraag of een bepaalde soort zich op verschillende manieren ongeslachtelijk kan voortplanten. Want uit die informatie zou moeten blijken of het wel of niet Siamese tweelingen zijn. Ik werd er nog niet veel wijzer van.

fig. 16  Siamese tweeling of sterk ingesnoerd? Zeedahlia, Urticina felina. Blokkendam, Noordzee, 15-9-2018 © Ad Aleman. 

fig. 17  Siamese tweeling of sterk ingesnoerd? Zeedahlia, Urticina felina. Blokkendam, Noordzee, 29-9-2018 © Ad Aleman.

Ouwe koek
Tijd voor het raadplegen van de vraagbaak op het terrein van zeeanemonen: Ron Ates. Ron liet er geen misverstand over bestaan. Hij deelde mijn mening over de Siamese tweelingen en noemde het 'ouwe koek'. Want zoals hij liet weten, was dit onderwerp 90 jaar geleden al afdoende beschreven door T.A. Stephenson, toen en in zekere zin nog steeds een autoriteit op het gebied van zeeanemonen. Ook verstrekte hij mij een aantal artikelen uit onder meer De Kor. Toen ik de jaartallen van die publicaties zag, bleek het ook ouwe koek: 1959 en 1961. Maar ouwe koek is nog altijd eetbaar en figuurlijk de moeite waard om - passend archaïsch uitgedrukt - het weer eens aan de vergetelheid te ontrukken.

Stephenson (1929) beschrijft uitgebreid de verschillende soorten voortplanting van zeeanemonen en experimenten daarmee door ene W.E. Evans, samen met zijn eigen observaties. Zijn conclusie: afgezien van geslachtelijke voortplanting kent een soort doorgaans maar één type ongeslachtelijke voortplanting. Dus waar bijvoorbeeld de Sierlijke slibanemoon stukjes voet loslaat, waaruit zich jonge anemoontjes ontwikkelen, zal deze soort zich niet overlangs delen zoals het Margrietje. Met andere woorden: Zeeanjelieren en Sierlijke slibanemonen delen zich niet overlangs en Siamezen blijven dus Siamezen.

Verder schrijft hij over Siamese tweelingen, die hij 'double specimens' en 'double-monsters' noemt (p162): “Double specimens are normally permanently double and the halves do not separate.” (lees: Tweedelige dieren zijn gewoonlijk permanent dubbel en de helften scheiden niet.) Ook haalt hij het volgende aan over dat onderwerp (p161): “Carlgren and others have shown that permanent double-monsters can originate from arrested and incomplete fission; but that many of them are double from an early embryonic stage, or arise from some other reason, and their condition has nothing to do with ordinary asexual reproduction.” (lees: Carlgren en anderen hebben aangetoond dat permanente dubbele 'monsters' afkomstig kunnen zijn van onvoltooide en onvolledige splitsing, maar dat veel dubbele exemplaren in een vroeg embryonaal stadium als zodanig - of om een andere reden - zijn ontstaan, en hun vorm heeft niets te maken met gewone ongeslachtelijke voortplanting.).

Overigens wordt in het artikel van Stephenson bij de Zeedahlia alleen gerept van geslachtelijke voortplanting. Dat bevestigt mijn stelling dat het Siamese exemplaar van Wood (zie eerder) helemaal niet gaat splitsen.

In de tijd dat ik op onderzoek was, kwam ik op 23-10-2019 bij een duik bij de Zeelandbrug een Siamees Zeeanjeliertje tegen. Ook die heb ik verzameld; Ik ben benieuwd of daar qua gedrag nog iets nieuws van te leren valt.

fig. 18  Mogelijke Siamese tweeling Gewone slibanemoon, Sagartia troglodytes. 
Den Osse - Nieuwe Kerkweg, 22-7-2017 © Ad Aleman.

Nog meer interessante ouwe koek
Wat ik voor het gemak steeds een Siamese tweeling noem, wordt ook door Van Soldt & Tak (1959) beschreven in De Kor in een lezenswaardig artikel met als titel 'Knopvorming en dubbelmondigheid bij zee-anemonen'. Zij halen de publicatie van Stephenson van 1929 en zijn conclusies al aan. Zij beschrijven onder meer dubbelmondige exemplaren van de Edelsteenanemoon, Aulactinia verrucosa (fig. 4 & 5) en van de Paardenanemoon, Actinia equina. Van de Edelsteenanemoon blijk ik in mijn aquarium ooit een Siamese tweeling te hebben gehad, maar afgezien van de datum van de notitie (22-6-1999) kan ik daarover helaas niets meer terugvinden. Van de Paardenaemoon heb ik nog nooit een Siamese tweeling gevonden.

Zij beschrijven ook een paar aquarium-waarnemingen, die ik hier graag overneem en waaraan ik mijn commentaar toevoeg:

“De twee monden of koppen van de anemoon groeien vrijwel even hard.” Dat is ook mijn ervaring met de Siamese Zeeanjelier van 1978 en de recente Sierlijke slibanemoon. Ik gaf en geef ze overigens ook een vergelijkbare hoeveelheid voedsel, dus dat is op zich niet vreemd. De twee dieren die de Siamese Zeeanjelier vormen die ik in oktober verzamelde, zijn wel duidelijk verschillend van grootte. Ik ben benieuwd of dat in de loop van de tijd veranderd.

“Onafhankelijk kan de ene mond voedsel opnemen zonder dat dit de andere mond beroerde.” Ook die ervaring deel ik (fig. 19). Op zich vind ik dat niet vreemd, omdat het - voorzover ik dat kan zien - bij mijn witte Sierlijke slibanemoon, twee onafhankelijke dieren zijn, die alleen de voet delen en met de zuilen deels aan elkaar vast zitten. De lichaamsholte (ook coelenteron of gastrale holte genoemd) wordt dus niet gedeeld. In mijn aquarium aantekeningen van de Siamese Zeeanjelier uit 1978 lees ik “hebben beide eigen tentakelkrans die afzonderlijk voedsel tot zich kunnen nemen”. Bij het voeren van de Siamese Zeeanjelier van oktober 2019 is wel te zien dat bij een sterke, gelijktijdige samentrekking van de tentakels, het mondveld en de zuil van het ene exemplaar, de ander zich ook samentrekt. Ik denk dat het andere exemplaar dan een tik krijgt, waardoor die uit irritatie samentrekt.

fig. 19  Het rechter exemplaar heeft net voedsel gevangen en trekt zijn tentakels in, het linker exemplaar staat nog volledig uit. 
Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans var. nivea*. Zeelandbrug, Oosterschelde, 19-9-2019 (in vitro 5-10-2019).

“De twee monden staan altijd samen open of zijn beide gesloten.” Dat was ook bij de Siamese Zeeanjelier van 1978 het geval, lees ik in mijn aantekeningen van 27-7-1987, en bij de Siamese Sierlijke slibanemoon. De recente Siamese Zeeanjelier is in dat geval uitzonderlijk, want ik zie het grootste exemplaar soms wel wat uitstaan (niet volledig), waarbij het andere exemplaar nog ingetrokken zit.
Of het samen open of gesloten zijn bijzonder of logisch is, kan ik niet goed beoordelen. Ik kan er zelfs met tientallen jaren aquariumervaring nog steeds geen hoogte van krijgen waarom een zeeanemoon dicht zit of uit staat.

“Nog nimmer heeft een van mijn twee-mondigen zich ook maar een cm verplaatst.” Mijn twee nieuwe Siamezen verplaatsten zich veel, maar zijn na een paar weken wat - maar niet helemaal - tot rust gekomen. Het kan betekenen dat de dieren het niet zo naar hun zin hadden (stroming? voedselaanbod?). Van de Siamese Zeeanjelier van 1978 kan ik mij dat niet herinneren en er staat niets over in mijn aantekeningen.
Meteen komt bij mij de vraag op hoe ze gezamenlijk aan de wandel gaan? Is het een gecoördineerde actie of gaat één van de twee zich verplaatsen en gaat de ander dan mee? Het laatste lijkt mij, want hoe wisselen ze signalen uit? Maar wie weet wat er gecommuniceerd wordt.

fig. 20   De Siamese Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans var. nivea* laat zijn voet weglopen. 
Zeelandbrug, Oosterschelde, 19-9-2019 (in vitro 22-10-2019, 11:52).

Nog het vermelden waard is dat de Siamese Zeeanjelier van 1978 het meer dan tien jaar heeft uitgehouden: “1-12-1988: Tweeling Metridium dood. Was samen met Sagartia elegans van de Flaauwers oudste dier van aqua (beiden uit '78). Metridium werd steeds kleiner en moeilijker te voeren (uiteindelijk 5 mm).”

In aansluiting en reactie op het artikel van Van Soldt & Tak (1959) schrijft Hajo Compaan in De Kor in 1961 zelfs een artikel over hoe we zulke monstruositeiten moeten benoemen. Hij stelt voor voortaan van veel-koppigheid te spreken als het meerdere tentakelkransen betreft (de Siamese tweelingen waar het in mijn verhaal over gaat) en van veel-mondigheid als het om meer dan één mond binnen één tentakelkrans gaat (bijvoorbeeld de Zeedahlia in het boek van Wood). Op zich een uitstekend voorstel; ik heb het voor nu maar even gelaten bij Siamese tweeling.

fig. 21   De weglopende voet van de Siamese Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans var. nivea* begint in te scheuren. Vanwege de hevige
irritatie worden acontiën (draden die netelkapsels bevatten) uitgestoten. Zeelandbrug, Oosterschelde (in vitro 22-10-2019, 19:25).

Koos den Hartog schrijft in een artikel over de Paardenanemoon, Actinia equina, in De Levende Natuur (1961) dat dubbelmondigheid veel voorkomt bij deze soort. Hij haalt Pax (1937) aan, die een viertal theorieën beschrijft over het ontstaan van deze monstruositeiten. Zeer interessant, maar het voert te ver die hier nu te noemen. Wel wil ik Den Hartog’s conclusie delen, namelijk dat naar zijn mening geen van die theorieën juist is: “Persoonlijk ben ik van mening dat verreweg het grootste aantal der dubbelvormen Siamese tweelingen zijn, dat het ontstaan ervan dus een embryologisch proces is.” In de literatuurverwijzing vind je een link naar het artikel als PDF, zodat je het verder kunt lezen.

Nog meer bewijs
Inmiddels heb ik nog een prachtig empirisch bewijs dat mijn dubbele Sierlijke slibanemoon ook daadwerkelijk een Siamese tweeling is. Het exemplaar dat ik meenam van de Zeelandbrug ging zich namelijk op 22-10-2019 voortplanten (fig. 20 t/m 23). Op de foto’s kun je zien hoe de voet wegloopt en afscheurt en er kleine stukjes voet achterblijven. De ouder anemoon is nog steeds (en blijft dus) een Siamese tweeling. Overigens loopt de voet weg bij één individu; niet in het midden tussen de twee Siamezen.

fig. 22   Detail van de weglopende voet van de Siamese Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans var. nivea* die begint in te scheuren. 
Zeelandbrug, Oosterschelde, 19-9-2019 (in vitro  22-10-2019, 22:09).

fig. 23   De voet van de Siamese Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans var. nivea* is grotendeels teruggetrokken. Uit de afgebroken 
stukjes voet ontwikkelen zich nieuwe anemoontjes. Zeelandbrug, Oosterschelde, 19-9-2019 (in vitro 23-10-2019, 5:58).

Conclusie
Mijns inziens is afdoende beschreven en bewezen dat veelkoppige Zeeanjelieren en Sierlijke slibanemonen zich niet splitsen en het dus in feite Siamese tweelingen zijn.

Ik breek meteen een lans voor het napluizen, lezen en publiceren uit ‘oude’ bronnen, zoals ik hier met hulp van Ron Ates (waarvoor mijn dank) heb gedaan. Ik vond het bijzonder dat er al zoveel beschreven en te vinden was in bijvoorbeeld een periodiek als het niet meer bestaande De Kor.

Commentaar op dit artikel en meldingen met foto’s van vondsten heet ik van harte welkom!


* Dit zijn foto's van steeds hetzelfde dier. Met name bij fig. 1, 19 en 24 zou je niet denken dat dit de nivea (witte) variëteit is van de Sierlijke slibanemoon. Door de fotografie van het dier op een donkere ondergrond (in een zwart plastic bakje) met veel flitslicht wordt de aanwezige oranje kleur (zie in mindere mate bij fig. 20 & 21) versterkt. 

** Ik heb een ontheffing van de provincie om als duiker te mogen verzamelen.

Literatuur & websites/links:
  • Ates, R., 1997. Bloemdieren, de zeeanemonen en hun verwanten van de Nederlandse kust. ISBN 9080359513.
  • Compaan, H., 1961. Enkele zee-anemoonproblemen en iets over monstruositeiten. De Kor, jrg 11, no 1, maandorgaan van Biologia Maritima, Nederlandse Vereniging van Zeeaquariumliefhebbers. Klik HIER voor een PDF van het artikel. 
  • Hartog, J.C. den, 1961. Enige aantekeningen over Actinia equina (L.), de Gewone zeeanemoon. De Levende Natuur 64 (12): 280-285. Klik HIER voor een PDF van het artikel. 
  • Hartog, J.C. den, 1962. Op Himanthalia elongata aangevoerde zeeanemonen te Den Helder in 1960 en enige aanvullende aantekeningen over Corynactis viridis, Het Zeepaard 1962-1. 
  • Otten. M.J., 2018. Facebookbericht m.b.t. Siamese tweeling-anemonen. 2018-02-22. Klik HIER om die pagina te openen. 
  • Soldt, O. van & H. Tak, 1959. Knopvorming en dubbelmondigheid bij zee-anemonen. De Kor, jrg 9, no 9, 175-180. Klik HIER voor een PDF van het artikel: 
  • Stephenson, T.A., 1929. On methods of reproduction as specific characters. J. Mar. Biol. Ass. UK, 16, 131-72 (als PDF bij mij op te vragen).
  • Wood, C., 2005. Guide to Sea Anemones ans Corals of Britain and Ireland. ISBN 948150416.

fig. 24   Sierlijke slibanemoon, Sagartia elegans var. nivea*: 'bloemen'pracht in tweevoud. 
Zeelandbrug, Oosterschelde, 19-9-2019 (in vitro 5-10-2019).

27 December 2019

Grijze zeevinger - Alcyonidium condylocinereum - inheems gevonden in de Oosterschelde

  fig. 1  Grijze zeevinger, Alcyonidium condylocinereum. Groep 1. Anna Jacobapolder, Oosterschelde, 12-12-2019.

An English version of this post is under construction

Begin dit jaar fotografeerde mijn duikbuddy Ruud Versijde bij Anna Jacobapolder een organisme dat onderwater op een spons leek, maar bij nadere beschouwing een soort Zeevinger, een mosdiertje, moest zijn (fig. 2). Er kwamen twee soorten Zeevinger in aanmerking, dus ben ik het dier nog een paar keer onderwater gaan bekijken en fotograferen. Na determinatie door expert Hans De Blauwe, blijkt het om de Grijze zeevinger, Alcyonidium condylocinereum te gaan.

fig. 2  Grijze zeevinger, Alcyonidium condylocinereum. Groep 1. Anna Jacobapolder, Oosterschelde, 28-2-2019. 
Foto: Ruud Versijde.

Mosdiertje?
Als het woord mosdiertje valt, wordt al snel gevraagd waar die dieren thuis horen en waar ze op lijken. Ze horen nergens bij, maar vormen een aparte stam binnen het dierenrijk: de Bryozoa. De vorm van deze kolonievormende dieren is nogal variabel. Van een één laag dunne korst, struikjes, bladvorm tot de gelobde of vingervormige takken van Grijze zeevinger. Verwarring met sponzen, kolonievormende zakpijpen en bijvoorbeeld Dodemansduim, Alcyonium digitatum, is niet vreemd. Maar met het blote oog en zeker met een loep kun je bij mosdiertjes een onderscheidende honingraatachtige structuur zien, opgebouwd uit de randen van de individuele diertjes, de zoïden (fig.  3 & 9).

  fig. 3  De individuele diertjes, de zoïden van de Grijze zeevinger, Alcyonidium condylocinereum zijn goed te zien; 
ze vormen een honingraatachtige structuur. Anna Jacobapolder, Oosterschelde, 24-7-2019 (in vitro 25-7-2019).

Veel mosdiersoorten zijn klein en onopvallend en tussen sponzen, zakpijpen en zeewieren makkelijk over het hoofd te zien. Dat is bij deze soort en zeker bij de gevonden exemplaren niet het geval. Het gaat om twee aparte groepen met kleine en grote kolonies (fig. 1 & 4). Beide groepen strekken zich uit over een strook van circa 40 cm en de grootste exemplaren zijn zo’n 20 cm lang.

fig. 4  Grijze zeevinger, Alcyonidium condylocinereum. Groep 2. Anna Jacobapolder, Oosterschelde, 12-12-2019.

Grijze of Bruine zeevinger?
Met het prachtige determinatieboek 'Mosdiertjes van de zuidelijke bocht van de Noordzee' kun je deze dieren op naam brengen. In veel gevallen heb je een microscoop en enige kennis of anders veel geduld nodig om je er in te verdiepen. Voor determinatie werd Hans De Blauwe, auteur van het genoemde boek, geraadpleegd en bleek het Grijze zeevinger te zijn.

 fig. 5  De uitgestrekte 'polypiden' van de Grijze zeevinger, Alcyonidium condylocinereum veroorzaken de honingkleur. 
Anna Jacobapolder, Oosterschelde, 24-7-2019.

Hoewel er meer soorten Zeevinger van onze kust bekend zijn, zijn er zo op het oog twee soorten die voor de gevonden mosdiertjes in aanmerking komen en die redelijk op elkaar lijken: Grijze zeevinger, Alcyonidium condylocinereum en Bruine zeevinger, Alcyonidium diaphanum (fig. 6 & 7).

Kenmerkend voor Grijze zeevinger is dat er eerst een uitgebreide korst gevormd wordt die - kenmerkend - gemakkelijk van het substraat afpelt. Daarna worden opgerichte cilindrisch geknobbelde koloniedelen gevormd. De Bruine zeevinger daarentegen heeft een kleine korst als aanhechting en de lange opgerichte koloniedelen zijn onderaan ingesnoerd (De Blauwe, 2009).

fig. 6  Bruine zeevinger, Alcyonidium diaphanum. Porthkerris, United Kingdom, 29-5-2018.

fig. 7  Bruine zeevinger, Alcyonidium diaphanum met uitgestrekte 'polypiden'. Porthkerris, United Kingdom, 29-5-2018.

In de zoïden (dus de individuele diertjes waaruit de kolonie is opgebouwd)(fig. 3 & 9) zit een zogenaamde polypide (fig. 8), bestaande uit o.a. de tentakelkrans, spijsverteringskanaal en spieren. De polypide van de Grijze zeevinger heeft minimaal 16 tentakels en die van de Bruine zeevinger maximaal 16 (De Blauwe, 2009). Met enige moeite kon ik op een foto 17 tentakels tellen (fig. 8). Een verdere beschrijving van Grijze en Bruine zeevinger kun je vinden in het al genoemde boek (De Blauwe, 2009).

  fig. 8  Met enige moeite zijn 17 tentakels te tellen van één enkel diertje van de Grijze zeevinger, Alcyonidium condylocinereum. Anna Jacobapolder, Oosterschelde, 24-7-2019 (in vitro 25-7-2019).

Kleur
De gevonden Grijze zeevingers zien er op afstand deels beige, deels grijs uit, maar blijken van dichtbij vooral beigegrijs en honingkleurig. De honingkleur wordt veroorzaakt door de inwendige organen onder de tentakelkrans, die zichtbaar zijn buiten het kolonie-oppervlak bij uitgestulpte tentakelkransen (fig. 8). Het oppervlak van de zoïden zelf is grijs (fig. 3 & 9).

 fig. 9  De polypide (pijl) zit opgesloten in de zoïde. Grijze zeevinger, Alcyonidium condylocinereum. 
Anna Jacobapolder, Oosterschelde, 24-7-2019 (in vitro 25-7-2019).

Ontwikkeling
Als je meerdere keren naar hetzelfde dier gaat duiken en het fotografeert, kun je meteen de ontwikkeling van het dier zien. Zoals bij groep 1: op fig. 1 is goed te zien dat een paar kolonies duidelijk veel langer zijn geworden in vergelijking met fig. 2. Groep 2 (fig. 4) zag ik pas onlangs en ik heb daarvan dus geen andere stadia kunnen fotograferen.

 fig. 10  Grijze zeevinger, Alcyonidium condylocinereum. Anna Jacobapolder, Oosterschelde, 24-7-2019.

Voorkomen
In de Noordzee en het Kanaal moet het dier vrij algemeen zijn, want Grijze zeevinger wordt regelmatig  als aanspoelsel gemeld van de Nederlandse en Belgische kust bij de Strandwerkgemeenschap, ANEMOON, Waarneming.nl en Observations.be.

Toen ik dit bericht schreef voor NatureToday, verkeerde ik in de veronderstelling dat het dier in Nederland niet eerder inheems was gevonden, althans dat dat niet met zekerheid kon worden vastgesteld. Dat blijkt niet juist! Zie de rectificatie onder de volgende alinea (de tekst van de volgende alinea is de originele tekst).

Bij Westkapelle zijn door Marco Faasse vóór 2002 twee kleine kolonies gevonden (klik hier), die sterk leken op Grijze zeevinger. Daarnaast zijn door duikers bij ANEMOON meldingen gedaan van de Doorschijnende zeevinger, Alcyonidium gelatinosum op een paar plaatsen in de Oosterschelde (*) en de Noordzee (*)(fig. 11). Ook dat zouden exemplaren van de Grijze zeevinger kunnen zijn; de Grijze zeevinger is namelijk pas in 2004 als soort beschreven door Porter. In Faasse & De Blauwe (2004) vind je op pagina 20 en 23 een uitgebreide toelichting over Nederlandse naamgeving en vondsten. In ieder geval is de soort nu met zekerheid als inheems te bestempelen en te bewonderen!

Rectificatie d.d 8-1-2020: Rob Dekker blijkt de Grijze zeevinger al eerder - in ieder geval vanaf 2013 - regelmatig in de Waddenzee te hebben gevonden. Aanvullende informatie moet ik daarover nog krijgen en wordt nog in fig. 11 opgenomen.

fig. 11  Bij ANEMOON gemelde vondsten van Doorschijnende zeevinger, Alcyonidium gelatinosum.

De Grijze zeevinger is in België als inheemse soort bekend van het getijdengebied van Koksijde en Nieuwpoort. Zie een bericht daarover op NatureToday (klik hier).

In het Nederlands Soortenregister wordt Grijze zeevinger als exoot bestempeld (in de zin als ‘door de mens geïntroduceerd’). Waar dat op is gebaseerd, is niet duidelijk. Het gedocumenteerde verspreidingsgebied zoals in WoRMS is weergegeven, ligt met name rond Ierland. Natuurlijke verspreiding lijkt dan net zo voor de hand te liggen.

fig. 12  Bleke plooislak, Goniodoris nodosa, één van de predatoren van Grijze zeevinger. 
Anna Friso, Oosterschelde, 4-2-2017 (in vitro 6-2-2017).

Predatie
Van twee soorten zeenaaktslakken is bekend dat die Grijze zeevinger op het menu hebben staan: de Bleke plooislak, Goniodoris nodosa (fig. 12) en de Egelslak, Acanthodoris pilosa (klik hier voor foto's en informatie over de Egelslak). De Blauwe (2004) meldt daarover dat hij bij Koksijde op deze soort minstens tien Egelslakken vond! Ik heb nog geen prooidieren op de Grijze zeevingers gevonden.

Dank
Met dank aan Ruud Versijde voor het delen van zijn vondst, Hans De Blauwe voor de determinatie en Hans en Marco Faasse voor het verstrekken van informatie en voor het nalezen van de tekst van het NatureToday bericht dat samen met dit blogbericht werd gepubliceerd. Tevens wil ik Adriaan Gmelig Meyling, Stichting ANEMOON en Rien de Ruijter, Strandwerkgemeenschap, bedanken voor hun naspeuringen naar vondsten van een aantal soorten Zeevinger.


Literatuur & websites/weblinks
  • Blauwe, H. De, 2004. De zeevingers Alcyonidium condylocinereum Porter, 2004 en Alcyonidium diaphanum (Hudson, 1778) (Bryozoa: Ctenostomatida) aan de Belgische kust. De Strandvlo 24(2): 74-77. 
  • Blauwe, H. De, 2009. Mosdiertjes van de Zuidelijke Bocht van de Noordzee: Determinatiewerk voor België en Nederland. Vlaams Instituut voor de Zee, Oostende. ISBN 9789081290036.
  • Blauwe, H. De, 2013. Historisch laag tij legt bijzondere beesten bloot. NatureToday. Klik hier. 
  • Bryozoa of the British Isles: http://britishbryozoans.myspecies.info/content/alcyonidium-condylocinereum-0
  • Faasse, M.A. & H. De Blauwe, 2004. Faunistisch overzicht van de mariene mosdiertjes van Nederland (Bryozoa: Stenolaemata, Gymnolaemata). Nederlandse Faunistische Mededelingen 21: 17-54. Klik hier voor een PDF.  
  • Nederlands soortenregister. Klik hier.  
  • Otten, M.J., 2018. Thorny doris - Acanthodoris pilosa - and the advantages of a waterproof compact camera. Micks Marine Biology. Klik hier.
  • Porter, J.S., 2004. Morphological and genetic characteristics of erect subtidal species of Alcyonidium (Ctenostomata: Bryozoa). Journal of the Marine Biological Association of the UK. 84(1): 243-252. Klik hier voor een PDF.
  • WoRMS. Klik hier.